BEHOEFTE AAN EEN TWEEDE MENING

Ouders leggen zich niet meer vanzelfsprekend neer bij de adviezen van een schooldecaan. Steeds vaker zoeken zij een second opinion en schakelen daarbij de hulp in van een professionele particuliere begeleider.

Met het begin van het nieuwe schooljaar zit ook de onafhankelijke onderwijsadviseur weer volop in het werk. Tegenvallende schoolresultaten en ontevredenheid over de reguliere begeleiding maken dat ouders aankloppen bij een extern bureau. Deze `particuliere decaan' brengt het probleem in kaart en geeft onafhankelijk advies-op-maat, al dan niet in samenspraak met de school. De ouders moeten deze begeleiding uiteraard zelf betalen. Cijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek laten zien dat in de laatste tien jaar het aantal zelfstandige adviesbureaus bijna is verviervoudigd, van 55 in 1993 tot 410 in 2000, en dat aantal groeit nog steeds. Van de 410 bedrijven zijn er 295 eenmanszaakjes die ouders en leerlingen van het voortgezet onderwijs adviseren over onderwijs- en loopbaankeuze.

Hedwig Jurrius, psychologe, is zo'n particuliere decaan. Ze heeft haar eigen psychologisch adviesbureau voor middelbare scholieren en begeleidt gemiddeld zo'n honderd leerlingen per jaar. Ze houdt zich voornamelijk bezig met diagnostiek: ze test leerlingen op hun leercapaciteiten en hun wensen voor een toekomstige beroepskeuze. Ooit werkte ze bij een AOB (Adviesbureau bij Opleiding en Beroep), maar toen in 1996 de markt voor onderwijs- en beroepskeuze werd opengegooid, scholen vervolgens zelf konden kiezen bij wie ze hun advies inkochten en de AOB's geleidelijk minder door het rijk werden gefinancierd, zag ze de bui hangen. En inderdaad: steeds meer AOB's draaiden met verlies en moesten gaan reorganiseren. Veel medewerkers besloten voor zichzelf te gaan en begonnen hun eigen bureau. Zo ook Jurrius. Elk schooljaar zit ze tot over haar oren in het werk. ``Ik ga altijd gestresst met vakantie.''

De particuliere decaan is hard nodig, vindt Jurrius: ``Scholen hebben tegenwoordig zoveel problemen aan hun hoofd, de omschakeling naar de tweede fase, fusies, de integratie van voortgezet speciaal onderwijs. Het decanaat komt daardoor wel eens in de knel. Ik heb de indruk dat scholieren soms eenmalig doorgelicht en vervolgens 'geparkeerd' worden op een bepaald advies. Er wordt te weinig naar ze omgekeken, ik moet soms enorme branden blussen. Ik wou dat ik wat meer preventief werk kon doen. Maar helaas word ik meestal pas benaderd als het kwaad al is geschied.''

Volgens Walter Dresscher, vice-voorzitter van de Algemene Onderwijsbond, komt het inderdaad voor dat scholen minder aandacht besteden aan het decanaat, ook al worden ze op dit punt streng gecontroleerd door de Onderwijsinspectie. Hij denkt dat dat het gevolg is van het nijpende lerarentekort, dat scholen ertoe brengt om decanen weer aan te spreken op hun onderwijsfunctie en ze noodgedwongen vaker voor de klas te zetten dan achter de adviestafel. En natuurlijk worden leerlingen en ouders dan ontevreden. Dresscher: ``Je kunt als school geen slordig werk verrichten.''

gebrek aan inzet

Bij Bart Bluijs (15) was er al op de lagere school slordig werk verricht. Uit de taaltesten kwam een zorgwekkende lage score, maar de school meldde dat er geen reden was voor ongerustheid. Bart kreeg een havo-vwo-advies. In havo 3 liep Bart zó achter met zijn talen, dat zijn ouders aan de bel trokken bij mentor en decanaat. `Gebrek aan inzet', was het antwoord, `wij kunnen er niks aan doen.'

De ouders lieten het er niet bij zitten en stapten naar een onafhankelijke decaan. Deze ontdekte dat Bart lijdt aan dyslexie. Gewapend met de testresultaten stapten de ouders Bluijs opnieuw naar Barts decanen. Dit keer werd er wèl actie ondernomen; Bart ging van havo 3 naar mavo 4 en er werd meer rekening gehouden met zijn leesprobleem. Hij haalde glansrijk zijn eindexamen.

Herma Bluijs, Barts moeder, vertelt: ``We zijn blij dat we onafhankelijk advies hebben ingewonnen. Het was duur, maar nu weten we tenminste wat er met Bart aan de hand is en dat het niet aan zijn inzet ligt. Het ergste vonden we dat we door de decanen op school niet werden gehoord. Het was alsof ze niet naar ons wilden luisteren.''

Zit het reguliere decanaat dan in een crisis? ``Geen sprake van'', zegt Leo Coïni, algemeen secretaris van de Nederlandse Vereniging van Schooldecanen. ``Het decanaat wordt juist prima ingevuld.'' Het feit dat er vaker een beroep wordt gedaan op particuliere adviseurs is een teken van de tijd, vindt Coïni. Ouders hebben in deze harde onzekere wereld, waarin een groot aanbod van studiemogelijkheden is, gewoon meer behoefte aan bevestiging en zoeken daarom `een extra stukje zekerheid' bij een extern bureau. Coïni: ``Ouders willen een second opinion en dat kan ik me best voorstellen. Er is zoveel mogelijk. Ik merk daarom dat de behoefte aan testresultaten toeneemt.''

De grotere behoefte aan testen zorgt voor de gang naar de particuliere decaan, denkt Aart Kooreman, bestuursvoorzitter van de sectie beroepskeuze- en loopbaanpsychologie van het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP). De vraag naar testen is inmiddels zo groot geworden, dat het NIP er onlangs een speciale afdeling voor heeft opgericht: het NDC (NIP Dienstverlenend Centrum), dat extra testen uit met name de Verenigde Staten haalt, vertaalt en geschikt maakt voor de Nederlandse maatschappij. Kooreman heeft zelfs op eigen titel een boek uitgebracht met verschillende beroepsinteresse-testen.

Ook Hedwig Jurrius merkt dat er een toename is in de vraag naar diagnostische testen, vooral op het gebied van capaciteit: volgt de leerling wel de goede middelbare opleiding? Jurrius: ``Het decanaat op school neemt vanzelfsprekend de studie- en beroepskeuze onder de hoede. Vaak blijft er te weinig tijd over voor leer- en gedragsproblemen en die komen dan bij mij terecht. Overigens zie je zelden dat de problematiek van een leerling óf samenhangt met de beroepskeuze óf met zijn leercapaciteit: het is meestal een combinatie van beide.''

Kooreman, die cursussen geeft aan schooldecanen, signaleert dat middelbare scholen problemen hebben met de enorme belangstelling van ouders voor testmogelijkheden. Kooreman: ``Veel schooldecanen weten niet wat ze met die testen aanmoeten. Begrijpelijk, want ze zijn tenslotte in de meeste gevallen geen psycholoog.'' De keuze van ouders voor een second opinion van een extern bureau vindt hij logisch: ``Er staat gewoon veel op het spel: de toekomst van het kind, het feit dat leerlingen moeilijker kunnen doubleren. Bovendien hebben scholen hun autoriteit voor een deel verloren. Een schooldecaan moet wel met steekhoudende argumenten komen, wil een ouder genoegen nemen met een advies. Zo niet, dan zoekt de ouder zijn heil elders. Daar hebben ze ook geld voor over.'' En dat is nogal wat. Particuliere decanen hanteren een gemiddeld uurtarief van € 50,-. De standaardtesten hebben vaak standaardprijzen en die liggen rond de € 350,- per test.

En de trend zet zich door. Het kan dus nog dringen worden op de markt voor particuliere decanen. Om enige orde in de chaos te scheppen, zal het NIP vanaf 2003 een officiële registratie voor professionele beroeps- en loopbaanbegeleiders invoeren. Hiervoor hebben zich nu al 58 belangstellenden gemeld. Daaraan gekoppeld start het NIP in de tweede helft van dit jaar met een speciale opleiding voor begeleiders in spe, bestaande uit losse modules. Kooreman: ``Er is geen studie die je kunt volgen om beroepskeuzepsycholoog te worden, er is in Nederland sinds 1985 zelfs geen hoogleraar in dit veld. Je moet je kennis hier en daar bij elkaar sprokkelen.''

testresultaten

Aart Kooreman raadt ouders overigens aan om extern advies in te winnen als ze niet willen dat de testresultaten van hun kind in de schooldossiers verdwijnen. ``Als je kind eenmaal het stempel `ongemotiveerd' opgedrukt heeft gekregen, komt het daar binnen de school niet meer van af. Terwijl een extern adviseur een testresultaat binnenskamers houdt en toestemming nodig heeft om de school op de hoogte te brengen.''

Dat het halen van een second opinion ook financieel vruchten kan afwerpen, bewijst het klassiek geworden geval Schaapman. Karina Schaapman uit Amsterdam schakelde vijf jaar geleden een onderwijsbegeleidingsdienst in om haar zoon Tom opnieuw te laten testen. Ze wilde bewijzen dat het mavo-advies dat de basisschool haar zoon had gegeven, niet klopte: het moest een havo/vwo-advies zijn, vond ze. Na deze second opinion, waar een leerachterstand van anderhalf tot drie jaar werd geconstateerd, verweet Schaapman de basisschool slechte lesmethoden en liet haar zoon bijlessen nemen. Dat kostte haar bijna vierduizend gulden. Via een rechtszaak kreeg zij deze kosten vergoed door de gemeente Amsterdam.

Drie jaar later heeft Schaapman haar belevenissen opgetekend in het boek Schoolstrijd. Bij de presentatie daarvan complimenteerde de toenmalige staatssecretaris Adelmund van Onderwijs Schaapman om haar bemoeizucht, die een goede aanjager is van het debat over de kwaliteit van het onderwijs. ``Ouders kunnen niet lastig genoeg zijn'', zei Adelmund. Met andere woorden: als ouders een second opinion willen, moeten ze die vooral gaan halen.

Maar Maaike Kolk van de oudervereniging Ouder & Coo aarzelt over de voordelen van een onafhankelijk onderwijsadviseur. Wat haar betreft zouden ouders zich wel twee keer moeten bedenken voordat ze een particulier bureau in de arm nemen. Kolk: ``Het is waar dat ouders steeds mondiger worden. Ze zijn hoger opgeleid en dus kritischer. En ze willen allemaal het beste voor hun kind. Maar of je daarvoor nu een extern bureau moet inschakelen? Een schooldecaan kent het kind, overlegt met collega's die het kind ook kennen. Een extern bureau kent het kind niet en gaat volgens mij klinischer en onpersoonlijker met het kind om.''