Barbaar uit het noorden

Mijn nieuwe buurman heet Vincenzo. Dat valt tenminste mee: een fatsoenlijke naam, dezelfde als mijn vader, de luitspeler. Hoewel, meevallen ik heb hem (de jonge Vincenzo, dus) een keer horen spelen, en ik stelde vast dat hij er niets van terechtbrengt. Wel heeft hij een fraai instrument, iets groter dan de gewone luit, dus met een lagere klank, waarvan ik later begreep dat hij hem zelf gebouwd heeft. Maar ik dwaal af. Want of deze nieuwe buurman ook in andere opzichten meevalt, betwijfel ik. Wel heeft hij een prachtig dochtertje, dat pas acht maanden oud is.

Ach, hoe onverhoeds besprong mij de weemoed over mijn lieve Maria Celeste, bij het blije gekakel van dat meisje! God geve dat zij langer moge leven dan de 33 jaren van mijn kind maar ik dwaal wederom af, vergeef een oude man zijn droefenis. Of ik deze Vincenzo moet verwelkomen, behoudens dan voor de vorm der hoffelijkheid, herzeg ik, is niet zeker. Om te beginnen komt hij uit het barbaarse Noorden. Daar heeft hij gestudeerd aan zo'n nieuwerwetse Universiteit, die welgeteld 66 jaar oud was op het moment dat ik hier kwam wonen. Een soort Bataaf, dus, of misschien een Fries, in elk geval een buitenlander. Vervolgens is hij getrouwd, zodat vaststaat dat hij de wetenschap maar ten dele dient, of, God verhoede, dat hij haar als bijkomstig beschouwt (de wetenschap, dus, niet zijn echtgenote). Tenslotte is hij zeer slordig gekleed, en lijkt hij in alles meer op een handwerksman dan op een geleerde.

Maar toen ik hem eens zag, de heuvel afdalend langs mijn poort, hield ik hem toch staande. Hij was uiteraard vereerd door mijn aandacht, want zo bataafs was hij niet dat hij mij zelf had durven aanspreken. Het bleek dat hij experimentele filosofie had gestudeerd, en astronomie in het bijzonder. Hij moet een handig knaapje zijn geweest, want op achtjarige leeftijd bouwde hij een sterrenkijker om daarmee de kraters op de Maan te kunnen bekijken. Ik glimlachte, zeggende dat hij al wist wat hij zou gaan zien, en ik bij mijn waarnemingen nog niet. Maar hij weersprak mij nogal scherp, dat dat voor een kind van acht jaar niets uitmaakt. Hoe dat ook zij, Vincenzo beweert dat de jongeren thans helemaal niets meer zelf bouwen, en nieuwe kopen als zij hun dure bezittingen stuk hebben gemaakt.

Misschien zal ik deze buurman toch willen gedogen, want het bleek dat hij vrijwel al mijn werk had gelezen, en zelfs grotendeels had begrepen. Vanzelfsprekend vroeg ik hem naar de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de mechanica, want ik wilde toch weten wat er van mijn werk geworden was. En ik moet toegeven dat die ongekamde noorderlingen er iets moois van hebben gemaakt. Vincenzo vertelde over zijn landgenoot Huygens, die mijn opvattingen over de relativiteit van de snelheid tot centraal punt van zijn theorie maakte. Ik was zo verrast en verblijd, dat ik niet wil nalaten hier te vermelden wat ik leerde.

Op het eerste gezicht zou men denken dat de bewegingsformule waaruit de baan van een planeet wordt berekend, een algebraïsche vorm is, zoals de vergelijking van de ellips. Maar volgens Huygens en de zijnen kan dat niet, omdat de positie van een planeet of een ander stoffelijk voorwerp als zodanig geen betekenis heeft. Aan niets is te zien wat de ruimtelijke plaats van een voorwerp is. In de studeerkamer, afgesloten van de werkelijkheid, kan elke filosoof een wereld bedenken waarin een deeltje een soort inwendige mijlenmeter heeft waarop de plaats ervan is af te lezen, zonder verwijzing naar andere deeltjes. Maar ons Heelal werkt niet zo. Als men bij de positie van een deeltje een willekeurig vast getal optelt, verandert er niets. Er heerst een `relativiteit van de ruimte': de plaats als zodanig is niet waarneembaar. Dus is niet de absolute positie van een deeltje van belang, maar de relatieve plaats, in het bijzonder de verandering van de plaats in de loop van de tijd. Die noemen wij de snelheid. Dus kan de formule voor de beweging geen voorschrift voor de positie zijn, maar hoogstens een voor de snelheid.

Nu zou men kunnen denken dat dan tenminste de formule voor de snelheid van een deeltje een algebraïsche vorm zou zijn, maar ook dat is niet het geval. Daar beroept Huygens zich op mijn werk: de absolute snelheid van voorwerpen is geen meetbare grootheid. Aan niets is te zien wat de ruimtelijke snelheid van een deeltje is. In de studeerkamer, afgesloten van de werkelijkheid, kan men een wereld bedenken waarin elk deeltje een inwendig mechaniek heeft waarop de snelheid is af te lezen, zonder verwijzing naar andere deeltjes. Maar het Heelal waarin wij wonen werkt niet zo. Als men bij de snelheid van een deeltje een willekeurige vaste waarde optelt, verandert er niets. Met andere woorden, er geldt een soort `relativiteit van de snelheid': de waarde van een snelheid als zodanig is niet waarneembaar. Dus is niet de absolute snelheid van een deeltje van belang, maar de relatieve snelheid, in het bijzonder de verandering van de snelheid in de loop van de tijd. Die noemen wij de versnelling. Dus kan de formule voor de beweging geen voorschrift voor de snelheid zijn, maar hoogstens een voor de versnelling.

Argwanend geworden, kan men vragen: gaat dit nu steeds zo door? Maar in mijn werk had ik reeds vastgesteld dat de versnelling wel absoluut meetbaar is. Wie daaraan twijfelt en hard `nee' schudt, bewijst mijn gelijk met het flapperen van zijn oren. Zodoende is de uiteindelijke vorm die de gehele mechanica beschrijft, een formule voor de verandering van de verandering van de plaats.

Vincenzo zegt dat de Engelsman Newton een nieuwe wiskunde heeft bedacht, die zich niet richt op de grootheden zelf maar op hun verandering, en dat de uiteindelijke formule een tweede orde differentiaalvergelijking is. Ik heb het vermoeden dat hij dat alleen maar zegt om indruk op mij te maken. Maar ik moet bekennen, dat ik het een verbluffende prestatie vind. Hoewel niet van de jonge Vincenzo, want die heeft er blijkbaar niets aan bijgedragen (even weinig als aan de kunst van de luit, dus). Maar hij kan er aardig over vertellen, dat wel, en soms is zijn uitleg zelfs vrij helder. Toch beweert hij dat de gezagsdragers in zijn land hebben besloten dat een en ander te moeilijk is, en dat de mechanica moet worden vereenvoudigd. Ik was ontzet: vereenvoudigen? Waarom? Om te beginnen lijkt de redenering mij eenvoudig genoeg, zozeer zelfs dat deze het stempel van de waarheid draagt. Verrassend is het, zoveel is zeker; maar moeilijk? En dan nog: als de feiten zo zijn, waarom zou men het dan eenvoudiger doen voorkomen? Vincenzo zegt: omdat het anders door de Onderwijs-Overheid geschrapt wordt wegens tekort aan studeerbaarheid. Ik vroeg hem, nogal kortaf, deze bataafse term te verklaren. Ah! dacht ik, de Inquisitie! Maar nee, de Overheid der Bataven is veel vernuftiger. Het is niet zozeer de bedoeling om bepaalde ideeën te onderdrukken, als wel de professoren te verplichten die zodanig te presenteren dat niemand ze echt begrijpt ook de begaafde studenten niet. Deze aanpak was op de scholen al zo geslaagd, dat ze nu ook op de Universiteit moest worden ingevoerd.

Toen had ik er schoon genoeg van, en tot besluit van ons gesprek vroeg ik Vincenzo wat hij zoal geschreven had, eigenlijk meer uit hoffelijkheid dan nieuwsgierigheid. Hij gaf mij een exemplaar van zijn recente boek, La formula dello scoiattolo. Ik heb het zojuist gelezen, en het bevestigt mijn vermoeden: het is eigenlijk niets, evenals zijn luitspel. Dus daarmee tel ik: driemaal niets. Wat te doen met deze buurman, die bataafse Simplicio?