Zie onder: Kameleon

`Wie zichzelf wil kennen/ moet kijken in de spiegel/ van een andere ziel.' Met dit citaat van Plato leidt Paul Claes het vierde deel in van zijn nieuwe roman Het Hart van de Schorpioen. Roman? Zo staat het op het omslag, maar volgens Claes' eigen definitie van fictie (`fictie vult de wereld met alles wat er niet is, met alles wat er niet meer is, met alles wat er zou kunnen of moeten zijn') valt Het Hart van de Schorpioen buiten dit genre. Het boek is een onversneden autobiografie, `a portrait of the artist Paul Claes' (1943), gegoten in een meesterlijke en voor Nederland originele vorm. Geen roman, wel literatuur en bij vlagen zelfs hartverscheurend.

Voor zijn schrijvers-zelfportret bedient Claes zich van het in Frankrijk gangbare, maar hier zelden beoefende `dictionnaire' als literair genre, naar voorbeeld van Voltaire en Flaubert of, recenter, Roland Barthes (Fragments d'un discours amoureux), Michel Leiris (Glossaire) en Renault Camus (Etc.) De opzet lijkt eenvoudig: aan de hand van lemma's, zoals in een encyclopedie, schetst de schrijver een beeld van zijn jeugd, zijn intellectuele ontwikkeling, zijn obsessies, tekortkomingen, dromen en wensen. Het zijn fragmenten, puzzelstukken waarmee de lezer zijn eigen beeld van de schrijver kan construeren of liever: een beeld van Claes' zelfbeeld.

De kracht van deze vorm voor een autobiografie is dat hij je al lezend dwingt om over jezelf na te denken, dus precies wat volgens het Plato-citaat de functie is van autobiografieën. Bij iedere ontwikkelingsfase die Claes onder opschriften als `DE ADEM', `SNOEPEN', `HET SPEELGOED', `VOORLICHTING', `KRUISWOORDRAADSELS', `DE GEDICHTEN', `INTERPRETEREN', `LEZEN', `LIEFDE' of `DE SCHORPIOEN' beschrijft, vraag je je kijkend in de spiegel van Claes' ziel af: welke trefwoorden zou ik kiezen om mezelf in te vangen? De lemmata van Claes zijn vindingrijk en zoals van deze auteur te verwachten is, zitten ze boordevol allusies, pastiches en paradoxen.

Hij wekt de schijn het postmodernisme eigenhandig te hebben uitgevonden. Literatuur is voor hem een spel, zoals uit zijn romans De Sater (1993), De Zoon van de Panter (1996) , De Phoenix (1998) en De Kameleon (2001) genoegzaam duidelijk is geworden. Al deze romans zijn levensverhalen die zich steeds in een andere historische context afspelen en waarin de erudiete classicus Claes laat zien dat hij zich moeiteloos de stijl en het vocabulaire van ieder willekeurig tijdperk kan eigen maken. Niet voor niets beschouwt hij zichzelf als `een literaire kameleon'.

Zijn grote voorbeeld is James Joyce wiens Ulysses hij (samen met Mon Nys) op briljante en tot dankbaarheid stemmende wijze in het Nederlands vertaalde. In een interview met deze krant zei Claes dat schrijvers na Ulysses aan het einde van hun mogelijkheden zijn: ,,Het meeste soelaas biedt nog het postmodernisme – onder het motto: we kunnen niets nieuws meer uitvinden, dus we gaan met de bestaande literatuur spelen. Dat doe ik ook in mijn romans.'

Met deze autobiografische encyclopedie heeft Claes zijn lezers een blik willen gunnen in de ziel van de literaire speler. Maar wie een speels boek verwacht, komt bedrogen uit. Ik althans ben Het Hart van de Schorpioen, de titel verwijst naar Claes' sterrenbeeld, gaandeweg gaan ervaren als een tragedie, als de noodkreet van iemand die al sinds zijn vroegste jeugd om erkenning smeekt. Onder het lemma `AFGESTUDEERD', schrijft hij `Être artiste ou rien (jij op je vierentwintigste verjaardag).' Helaas blijkt nu, 35 jaar later, dat hij van alles is, gelauwerd vertaler, erudiet interpreet en essayist, gewaardeerd romancier, maar geen kunstenaar.

Claes lijkt te worden gekweld door het besef dat zijn spelen met teksten van anderen in wezen een testimonium paupertatis is. Niet voor niets schrijft hij onder het lemma `X': `Je droomt ervan een boek te schrijven met een letter als titel. Ooit plande je een boek dat O zou heten en een staalboek zou zijn van pastiches in alle mogelijke genres. Je was toen zeventien, achttien: een prepostmodernist. Wie het woord niet heeft, bootst het na.'

Achter de soms kinderlijk ijdele pronkzucht steekt het gevoel van onvermogen de kop op. Typerend is de bekentenis van Claes onder het lemma `DE GEDICHTEN': `Alles kan je: alles, behalve gevoelens verwoorden.' Veelzeggend is ook het lemma `KUNST': `Kunst maken is het zoeken van pregnantie: snel, direct, sterk. Meer dan idee, boodschap, gevoel of expressie: de creatie van een op zichzelf staand object.' Claes' romans, hoe knap ook, zijn nooit `op zichzelf staand', ze zijn altijd afgeleid van andere teksten en volgens zijn, wellicht uit nood geboren, poëtica kan dat ook niet anders. Hij `maakt kunst', zijn romans en gedichten zijn `maakwerk' en dat is blijkens Het Hart van de Schorpioen zijn tragiek.

Behalve in lofzangen op zijn werk en klaagzangen over gebrek aan erkenning daarvoor, probeert Claes zijn ziel bloot te leggen in niet altijd even sterke spreuken (`vrouwen zijn als wijn: ze worden beter door het liggen'). Zijn aforisme over de autobiografie behoort nog tot de betere: `Als een leugendetector autobiografieën las, zou hij vlug oververhit raken.'

De kracht van zijn eigen autobiografie is dat hij zijns ondanks schrijnend eerlijk is. Het hart van de schorpioen is een diep tragisch zelfportret van een speler die nog nooit heeft gewonnen, de postmodernist die kan boekhouden met taal en tekst, maar geen schepper is en de pijn voelt van een gemankeerd kunstenaar. Wat rest is voer voor psychologen: van iedere zelfspot of ironie verstoken ijdeltuiterij, zelfvertedering, gepronk met prijzen, onderscheidingen, en miskende genialiteit, a portrait of a non-artist. Claes laat ons in de spiegel kijken van de postmoderne ziel en we zien een verwrongen masker.

Paul Claes: Het Hart van de Schorpioen. De Bezige Bij, 173 blz. €16,50