Zelfopgelegde taken putten Amerika uit

Het is niet verwonderlijk dat Amerika's politieke tijdschriften geen genoeg kunnen krijgen van de `oorlog tegen het internationale terrorisme'. Alleen al de mogelijkheid van een herhaling van de tragedie van 11 september houdt de geesten gespannen waarbij die naderende datum zelf een noodlotzware lading heeft gekregen. In Afghanistan mag Al-Qaeda dan wel zijn verslagen, geruchten en speculaties over een nog steeds actieve Osama Bin Laden en zijn trawanten laten zich niet tot zwijgen brengen. De Amerikaanse regering werkt daar in zekere zin zelf aan mee door de oorlogsstemming in het land steeds weer nieuwe impulsen te geven. De voortdurende dreigementen aan het adres van Saddam Hussein, het gepraat over de `as van het kwaad' en de openbare preoccupatie van Washington met de binnenlandse veiligheid dragen daaraan bij.

In de afgelopen maanden is in Amerika heel wat gepubliceerd over de nasleep van de 11e september. Geen invalshoek is overgeslagen. De overgang naar de zogenoemde tweede fase van de `oorlog tegen het internationale terrorisme' blijkt intussen meer problemen op te werpen dan aanvankelijk verwacht. Niet alleen is in de eerste fase het hoofddoel, de uitschakeling van Bin Laden en consorten, niet bereikt doordat de jacht op de leiding van Al-Qaeda in eerste instantie werd overgelaten aan overlopende Afghaanse krijgsheren. Ook het bijkomende doel, een zekere stabilisering van de interne verhoudingen in Afghanistan, blijft buiten bereik. Charles Fairbanks merkt in het zomernummer van The National Interest op: ,,Als zo weinigen van ons de regio werkelijk kennen, en als onze politieke elite geen belangstelling heeft voor hen die deze kennis wel bezitten, dreigen wij ernstige fouten te maken. We hebben er al tenminste een gemaakt: te denken, zoals wij klaarblijkelijk doen, dat Pathanen ooit een Afghaanse regering zullen aanvaarden die doeltreffend wordt beheerst door Tadzjieken, berust op fantasie.''

Achter de façade van de wederopbouw van Afghanistan en de conversatie over een mogelijke oorlog met Irak voltrekt zich een ontwikkeling die zich grotendeels buiten de openbaarheid afspeelt: de worteling van Amerika in Centraal Azië. Sinds 11 september hebben de VS, schrijft Fairbanks, de hulp vooral militaire hulp aan vier van de vijf Centraal-Aziatische republieken aanzienlijk opgevoerd. Bovendien beschikken de Amerikaanse strijdkrachten in het gebied nu over bases ter ondersteuning van de oorlog in Afghanistan. Het aantal bases, zo is het voornemen, zal worden uitgebreid. Fairbanks: ,,Zij schijnen zich in te graven om er een tijd te blijven.'' Is dit een goede of een slechte zaak, vraagt de auteur zich af. Hij neigt naar het eerste, maar vraagt wel aandacht voor de bezwaren en risico's.

Fairbanks noemt er vier. Ten eerste, geen van de republieken is een democratie. Economisch staan ze er slecht voor. Corruptie heerst alom. Kritiekloze Amerikaanse hulp dreigt deze toestand te bestendigen, met als gevolg dat de VS mede aansprakelijk worden. Ten tweede, een langdurig verblijf maakt Amerikaanse troepen kwetsbaar voor guerrilla-aanvallen van islamitische kant. De legering van troepen in Centraal-Azië vormt zonder meer een extra aanslag op Amerika's militaire vermogen. Ten derde, de Amerikaanse militaire expansie kan de betrekkingen belasten met staten als Rusland, China en Iran, landen met eigen belangen in deze machtsgevoelige regio. Irans eerder getoonde belangstelling voor ontspanning in de relatie tot de VS is tanende, meent Fairbanks. Ten vierde, Amerikanen hebben de neiging zich aan dagdromen over te geven, zoals die van het vredesproces in het Midden-Oosten. Onze dagdromen in de plaats te stellen van echte kennis van volken en hun culturen is een van de minder gelukkige Amerikaanse karaktertrekken, concludeert de auteur.

Het ziet er overigens naar uit dat ook Fairbanks zich overgeeft aan dagdromen, wanneer hij drie redenen noemt waarom de Amerikaanse vestiging in Centraal-Azië, ondanks de bezwaren en risico's die daaraan zijn verbonden, toch een goede zaak is. Zwakke staten trekken internationaal terrorisme aan en Centraal-Azië kent zwakke staten. Stabilisering van die staten maakt hen minder aantrekkelijk voor mannen als Bin Laden. De Centraal-Aziatische islam is relatief gematigd. Continuïteit van deze gematigd-islamitische samenlevingen zou de VS een enorm voordeel opleveren. Ten slotte, Amerika moet in Centraal-Azië blijven teneinde Afghanistan te kunnen stabiliseren. Afghanistan op zijn beurt is op geopolitieke gronden ook zonder de Talibaan van belang omdat het grenst aan Iran, Pakistan, Oezbekistan, Turkmenistan, Tadzjikistan en China.

Het klinkt als een cirkelredenering. Afghanistan is van belang gezien zijn buren en die buren zijn van belang met het oog op Afghanistan. Bovendien ziet Fairbanks hier het door hemzelf aangeduide risicio over het hoofd dat juist de Amerikaanse militaire aanwezigheid een destabiliserende factor in de regio kan worden als rivaliserende machten en bewegingen zich daartegen keren.

Enig soelaas is misschien te vinden in een ander artikel in The National Interest. Onder de titel Moscow Nights, Eurasian Dreams schrijft Nikolas Gvosdev dat althans Poetin geen moeite heeft met de Amerikaanse presentie in voormalig sovjetgebied. De Russische president, die een portret van de Europees-georiënteerde tsaar Peter de Grote in zijn werkkamer heeft hangen, lijkt er vrede mee te hebben dat de Amerikanen voor hem een paar kastanjes uit het vuur halen, zoals daar is het terrorisme van de fundamentalistische islam. Rusland heeft zijn eigen enclaves in het `nabije buitenland': vredessoldaten in Abchazië (Georgië) en Tadzjikistan, en de basis bij Akhalkalaki in Zuid-Georgië. Bovendien heeft Rusland in zijn periferie een aanzienlijke economische en politieke hefboom weten te behouden, meent Gvosdev. Dit alles brengen de Amerikanen niet in gevaar.

Maar ook al is Poetin de pragmaticus die Gvosdev in hem ziet, dat betekentniet zonder meer een geruststelling voor de Amerikaanse geopolitiek van na 11 september. Juist de rust die de Russische president uitstraalt zou Washington te denken moeten geven. De taken die Amerika zichzelf wereldwijd heeft opgelegd, putten alleen Amerika uit. Potentiële rivalen kijken ontspannen van de zijlijn toe hoe de Amerikanen het zichzelf moeilijk maken.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.