Wankelen in de liefde en de spijt

Dat romanschrijvers soms ook poëzie publiceren is geen nieuw verschijnsel. Succes is ook allerminst uitgesloten. Vestdijk deed het, en zijn gedichten lijken beter tegen de tijd bestand dan veel van zijn proza. En Erwin Mortier deed het, en kreeg dit jaar de Buddingh'-prijs.

Na drie romans en evenzoveel essaybundels is er nu ook een poëziebundel van Patricia de Martelaere. Geen debuut, schrijft ze zelf in haar Verantwoording achterin Niets dat zegt. `Deze bundel is niet bedoeld als een debuut in de dichtkunst, maar als een volstrekt eenmalige gelegenheidsbundel. Hij bevat een selectie uit de gedichten die ik de afgelopen twintig jaar schreef, zonder de ambitie een dichter te willen zijn en zonder een eigentijdse poëtica voor ogen. Het zijn in de volle betekenis van het woord gelegenheidsgedichten.'

Patricia de Martelaere is in het dagelijks leven hoogleraar filosofie in Brussel en Leuven. In die hoedanigheid is het haar taak om de definities van alles wat benoembaar is keer op keer op de weegschaal te leggen; maar de manier waarop ze in haar Verantwoording stoeit met de termen `debuut' en `gelegenheidsgedicht' irriteert me. Hoezo geen debuut? En als je geen dichter wilt zijn, waarom publiceer je je adolescentieverzen dan toch in een poëziereeks als die van Meulenhoff?

De hamvraag is natuurlijk of de verzen in Niets dat zegt zich anno 2002 van hun tijdgebonden gelegenheid loszingen. De gedichten uit de periode 1980-1985 bewegen zich alle `tussen de liefde en de spijt'. Dat is een universeel territorium, waarin iedere lezer zijn eigen emoties kan herkennen. Maar de taal en prosodie waarin dit allemansgebied onder woorden wordt gebracht, is – hoe romantisch ook – te houterig om door te klinken. Er zijn maar twee van de zevenendertig gedichten in Niets dat zegt die beklijven. Dat tweetal dateert van de periode 1992-1997. `Paardebloem' heet het eerste, `Dood van Joris' het tweede.

In `Paardebloem' wordt alles wat eerder door Patricia de Martelaere over de liefde en de beminde is gedicht nog eens samengevat in een berustende elegie. De overheersende stijlfiguur is de ellips. Zoals Remco Campert in zijn `Lamento' met een herhaalde herhaling van `hier nu' en `altijd maar' het verdriet in een trage fuga bezweert, zo hanteert De Martelaere de frase `nooit eerder'. En net als Campert zet ze de taal onder spanning door haar zinnen niet af te maken:

Het is eerder gebeurd, ook

dat ik zei: nooit eerder.

Dat het geel van de paardebloem

nooit geler geweest is

eerder nooit eerder geweest.

Dat hij zei: liever niet, en mij

niet kuste – of bijna niet.

Het tweede couplet beschrijft het donker dat groeide en drong, dat `deed verlangen van verdriet, deed klauwen / en krijgen, van vreugde verlies.' En ook die regels worden afgesloten met de verzuchting `of bijna niet'.

Het zal ook eerder voorbij zijn gegaan.

Al was het nooit eerder hier

en op dit uur, en met mij

en met hem, en zo, en zo donker.

Dat hij niet van mij hield –

of bijna niet, en toen ademloos

wel, en altijd, en nooit eerder –

en al bijna niet meer.

Waarom is dit gedicht beter dan al die andere liefdeslyriek in Niets dat zegt? Meer dan de krachtige toepassing van de ellips is het denk ik de metafoor van de paardebloem die het vers tot poëzie maakt. Door dit embleem wordt de elegie boven het persoonlijke liefdesverdriet van de maker uitgetild.

Hetzelfde gebeurt in `Dood van Joris'. In feite is dit vers een uitboorling in de bundel. Het is geen liefdesgedicht, maar een beheerste elegie bij de dood van een katertje. Het eerste couplet bezingt de schoonheid van deze `kat van de voorkant', maar onmiddellijk na de witregel al treft de dood. `Ik vond hem stijver dan ik ooit was geweest' luidt de eufemistische inzet, en een zelfde luchthartigheid klinkt wanneer de dichter vertelt dat ze het katertje inlaadde om aan haar dochter te tonen hoe dood iets kon zijn wat even tevoren leefde. Maar dan wordt de toon filosofisch: `Komt het daardoor, vroeg / ik mij af, dat jonge vormen zo gretig vergaan, om / dat ze – pas van huis – nog goed de plekken weten / waar de dood kan staan?'

Het derde couplet geeft geen antwoord op die vraag, maar zet de dood van de kat in een ruimer, verrassend verband van sterven en rouw.

Maar toen ik later het huis in wou gaan zag

ik hem opnieuw op de oprijlaan. Hij kwam om

te kijken, zwart met wit, in de vorm van een ekster.

Zoals toen de vader, met het haar van een

zuiderling, midden in een nacht van boord

sprong in de Noordzee, en ik drie dagen

later de bomen zwart zag van kraaien.

`Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten?' schreef Bloem. Bij De Martelaere is dat een pijnlijke vraag met een pijnlijk antwoord. `Paardebloem' en `Dood van Joris' had ik niet willen missen, maar de rest van de bundel is overbodig.

Patricia de Martelaere: Niets dat zegt. Meulenhoff, 47 blz. E13,50