Verliefd op een kaas

Schrijvers van kinderboeken zouden op een luchthartiger en minder stereotype toon over allochtonen moeten schrijven dan ze nu doen. Er kan best een beetje lucht bij alle kommer en kwel.

,,Rot jij maar op met je pokkecultuur! Ga maar met zo'n meisje dat alvast een stofdoek op haar kop heeft. Lekker handig!' Dat schrijft Polleke aan Mimoen, uit haar groep op school. Polleke, de jongste heldin van Guus Kuijer, is verliefd. Verliefd en boos. Mimoen heeft het uitgemaakt. Hij denkt dat een vrouw in zijn cultuur geen dichter kan worden, wat Polleke wil. Dat blijkt onzin. Maar uit moet het toch. Mimoens moeder komt met Polleke praten: ,,Jij bent geen kleine meisje meer. Goeie meisje, maar geen kleine meisje. Morgen of overmorgen jij opeens oeps! borsten. Mimoen is goeie jongen, maar grote jongen. Kan niet meer samen. Kan niet meer. Mimoen gaat trouwen met Marokkaanse meisje.'

Guus Kuijer wijdde vijf boeken, vier gewone en een kinderboekenweekgeschenk, van 1999 tot 2001, aan Polleke's avonturen, op de basisschool, op straat, bij opa en oma en thuis. Polleke's klasgenoten hebben namen als Mehmet, Mourad, Fatima en Consuela. Polleke zit op een zwarte school. Op twee kinderen na, is iedereen in haar groep allochtoon. De zeer Hollandse, zelfredzame Polleke, die nooit een blad voor de mond neemt en bij haar grootouders op het platteland zelfs een koe bezit, leeft in de grote stad, anno nu. Haar briefje, rot op met je pokkecultuur, valt in handen van de meester, die prompt een antiracismeproject start. Na afloop concludeert Polleke dat je iemand alleen voor `rotte aardappel' mag uitschelden: `de rest is racisme'.

Guus Kuijer is een van de weinige kinderboekenschrijvers die zijn hoofdpersoon op school en op straat in een bijna geheel allochtone omgeving plaatst. Nog zeldzamer is dat hij daarover kan schrijven, en over de problemen die het oplevert, zonder zijn gevoel voor humor te verliezen. Kinderboeken over allochtonen, en vooral boeken voor middelbare scholieren die daarover gaan, zijn doorgaans loodzwaar.

In de meeste realistische kinderboeken, die zich in het hier en nu afspelen en over het gewone, dagelijkse (school)leven van kinderen gaan, komen maar een paar buitenlandse namen voor, en dan meestal met een paar aanverwante problemen daaraan gehaakt. Meestal zijn de allochtone kinderen bijfiguren. Jacques Vriens beschreef een schoolreis in En de groeten van groep acht (1994). Daarin is een van de kinderen een bedplasser, heeft een ander heimwee, en is er een meisje, Nadia, dat van haar Marokkaanse ouders bijna niet mee mag. Alleen met de garantie dat jongens en meisjes apart slapen, dat ze tijd krijgt om de Koran te lezen, en dat ze geen varkensvlees te eten krijgt. ,,Weet u, meester,' zegt Nadia's vader, ,,hier in Nederland gaan jongens en meisjes zo vrij met elkaar om. Dat vind ik heel moeilijk.' Hier komt de schoolmeester in de schrijver Vriens naar boven: op deze nadrukkelijke en weinig realistische manier wil hij zijn lezers wijzen op de cultuurverschillen in de klas.

Probleemboeken

Heel af en toe verschijnt er een kinder- of jeugdboek met een allochtone hoofdpersoon. Deze boeken zijn bloedserieus. Het zijn probleemboeken, zonder lucht. Er valt niets te lachen, er wordt geworsteld. Met de liefde, met de taal, met de identiteit. Het zijn reële problemen, natuurlijk. Het is moeilijk je weg te vinden temidden van de `kazen', zoals Nederlanders in deze boeken vaak genoemd worden. En binnen de eigen familie, in de gemeenschap van buren, vrienden en kennissen, is het leven vast dikwijls verstikkend en verwarrend. Maar het is jammer dat alle aandacht in deze boeken uitgaat naar de problemen van deze kinderen. Voor de boeiende kanten van de cultuur, voor de inspiratie van het geloof en voor het plezier dat er thuis en op school toch ook wel moet zijn, is geen of weinig ruimte.

In 1989 verscheen het eerste jeugdboek van de Marokkaanse Zohra Zarouali. Zarouali, die op haar achtste naar Nederland kwam, was toen achttien jaar oud. Sindsdien is deze auteur geliefd onder Marokkaanse meisjes in de middelbare schoolleeftijd. Zarouali wijst hen de weg. Zij is de enige Marokkaanse schrijfster voor jongeren, die over hen schrijft. De problemen die zij aankaart, zijn de problemen van haar lezers. Stilistisch zijn haar boeken zwak. Zarouali typeert haar hoofdpersonen in termen die aan de Bouquetreeks doen denken. De structuur van haar boeken hapert. Onbelangrijke belevenissen krijgen onevenredig veel aandacht, grote beslissingen worden ineens genomen. Zarouali is niettemin een interessante schrijfster omdat zij zo uniek is in de Nederlandse (jeugd)literatuur.

In haar debuut, Amel, kiest de hoofdpersoon een echtgenoot, meer met haar verstand dan met haar hart. Zij doet wat haar ouders van haar willen, ze trouwt. Maar niet met de jongen waar ze verliefd op is. Klasgenoot Johnny, een volbloed `kaas', moet wijken voor neef Faisel. Faisel is een soort tussenoplossing, eigenlijk was Amel aan een andere Marokkaan uitgehuwelijkt. Met Faisel kunnen zowel de dochter als haar ouders vrede hebben. In deel twee, Amel en Faisel (1993), blijkt Faisel niet helemaal de verlichte man die Amel zich had gewenst, ook al is hij in Nederland opgegroeid.

In Zarouali's laatste boek, Een eigen weg, luidt de boodschap dat de opleiding voor de jongen gaat. Eerst een diploma halen, dan pas trouwen. Bahar is verliefd op haar neef, Rachid, maar hun ouders zijn gebrouilleerd over een erfenis. Dat kan dus nooit wat worden. Bovendien wil Bahar eerst haar studie, Nederlands, afmaken. Tot die tijd kan er geen liefde in haar leven zijn, hoe sterk haar gevoelens voor Rachid ook zijn. Ook al is ze al twintig, en daarmee een oude vrijster, volgens de Marokkaanse gemeenschap. Liefde betekent trouwen, en trouwen betekent baren. Het keert steeds terug in Zarouali's boeken: een opleiding afmaken als je eenmaal getrouwd bent, is zo goed als onmogelijk.

Bloedmooie meisjes

Zarouali pleit voor het behoud van de eigen cultuur. Tegelijkertijd is ze sterk voor integratie. Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid, schrijft ze letterlijk de overheid van een aantal jaren terug, na. Zarouali is een schrijfster met een missie. Haar hoofdpersonen, bloedmooie meisjes die, als ze zouden mogen, zo `topmodel' kunnen worden, zijn zoekend. Zarouali's boeken laten zich lezen als goede raad: respecteer je ouders, strijk hen niet tegen de haren in, vernederlands niet teveel, maar ook weer niet te weinig. Zarouali geeft een beperkte inkijk in de wereld van Marokkaanse jongeren. Het boeit te lezen hoe een wonderschone taksita uit de kast wordt getrokken voor een huwelijk, hoe de nagaffa komt op de henna-avond, of hoe en wat er gekookt wordt. Maar er is voor de Marokkaanse cultuur veel minder aandacht dan gehoopt.

Over Turkse meisjes en hun aanverwante moeilijkheden, schrijft Karin Hilterman. Deze lerares in het voortgezet onderwijs en in de volwassenen educatie voor allochtonen, wil met haar boeken `begrip kweken' tussen Nederlandse en Turkse en Marokkaanse kinderen. Maar ook bij Hilterman is het leven vooral zwaar, ongezellig en moeilijk, en valt er zelden iets te lachen.

In haar eerste boek, Blauwe kralen (2000), wordt een meisje van de mavo geplukt om haar moeder te verplegen op haar sterfbed in haar geboortedorp in Turkije. Daar treft ze een handtastelijke oom, maar ook een verlichte jongen die uiteindelijk weleens haar echtgenoot zou kunnen worden. In Eerwraak (2001) doet Dudu haar best op school, ze wil arts worden. Intussen heeft ze een oogje op de Nederlandse Onno. Ze weet niet dat haar ouders op het punt staan haar uit te huwelijken. Dudu's oudere broer Hasan intussen, steekt een jongen neer die eens met hun zus Nur rotzooide. Het pas verschenen Meryem is een wat hoopvoller boek. Het laat zich vooral lezen als een pleidooi in het land van herkomst een toekomst te zoeken.

Net als de boeken van Zarouali zijn de boeken van Hilterman vooral problemenboeken. De uitspraken over de Turkse en de Nederlandse cultuur gaan niet veel verder dan stereotypen. Nederlanders zijn kil, want ze kennen hun buren niet en doen de koektrommel dicht en ze rouwen niet luidop. Turken wel, en die zijn ook gastvrijer, iedereen komt en gaat en neemt wat lekkers mee, maar ze zijn, als ouders, ook overdreven streng, voorzichtig en bezorgd. Meryem begint met een conversatie tussen een vader en zijn schoonzoons over de manier waarop de vrouwen in de auto naar Turkije het best beschermd worden tegen ongewenste blikken. Of de gordijntjes onder en bovenaan het raam moeten worden vastgezet, of dat ze het dan misschien te warm krijgen. Hilterman schrijft zinnen als: ,,Ze voelde een afkeer in zich opkomen tegen alles wat Nederlands was. Tegen de cultuur hier die alles wat zij niet mocht, zomaar toeliet.'

Op televisie vertoonde de NPS het afgelopen seizoen de luchthartige serie Dunya en Desi. Over twee vriendinnen in de grote stad, een Marokkaanse en een Nederlandse, die gewone vriendinnendingen doen, thuis, op straat en op school. Daardoorheen gevlochten kwamen op een vanzelfsprekende, onnadrukkelijke manier hun cultuurverschillen en problemen aan de orde. Er moeten talloze van dit soort vriendschappen bestaan. Maar deze lichtvoetige toon ontbreekt tot nu toe in de boeken die voor de Dunya's en Desi's in Nederland verschijnen. Het wordt tijd dat daar verandering in komt. Guus Kuijer laat in zijn Polleke-boeken zien dat het kan, met humor over de multiculturele samenleving schrijven, al wegen de problemen nog zo zwaar. Er kan best een beetje lucht bij alle kommer en kwel.

Het materiaal ligt op straat, en tussen de schoolbanken. Hopelijk krijgen schrijvers voor kinderen, van welke komaf dan ook, er oog voor. Een voorzichtig begin is er. In Marokko aan de plas, het nieuwe boek van Karlijn Stoffels, vertelt Berber-hoofdpersoon Issa, die het in het leven ook bepaald niet makkelijk heeft, aan een stuk door grappen van deze tijd, moppen zoals die nu op schoolpleinen moeten rondgaan. ,,Weet je waarom Sinterklaas nooit naar de moskee gaat? Nee? Hij is er een keer op bezoek geweest, toen zag hij al die honderden schoenen op de gang staan en zei: Ja, dag!'