Vargas Llosa in de krant

Of zijn vroegere politieke activiteiten onvermeld konden blijven, vroeg de Peruaanse romancier Mario Vargas Llosa onlangs op een schrijversforum in Parijs. Aan de campagne waarmee hij in 1990 als tegenstander van Alberto Fujimori had gedongen naar het presidentschap van Peru werd hij liever niet herinnerd. Dat betekent niet dat Vargas Llosa geen politieke meningen meer ventileert, maar hij doet dat opnieuw louter als schrijver en intellectueel. Dat wil zeggen: als betrokken observator en gedreven criticus van de wereld, die hij sinds meer dan tien jaar in zijn column Toque de piedra (Toetssteen) in het Spaanse dagblad El País becommentarieert. Een selectie van die columns is in De taal van de hartstocht bijeengebracht.

Vargas Llosa schrijft over alles. Over het postmodernisme (`het verschrikkelijke trio Lacan, Foucault en Derrida), over Vermeer, Delvaux en Monet, wier werk hij op exposities heeft gezien, over Bob Marley en Octavio Paz. Hij schrijft over Engelse tabloids, George Steiner en diens `vermogen wat dan ook te verkondigen, inclusief enkele dwaasheden', over vrouwenbesnijdenis en multiculturaliteit. Over Robbeneiland, Boekarest, Jeruzalem en al die andere plaatsen die hij heeft bezocht. Maar vooral schrijft hij over politiek, met de hartstocht van de ware bekeerling. Verdwenen is het vertrouwen in het socialisme dat nog sprak uit de oudere opstellen van zijn eerdere essaybundel De cultuur van de vrijheid, en dat plaats heeft gemaakt voor een thatcheriaans soort liberalisme en een rotsvast geloof in de vrije markt. Uit naam daarvan ontvlamt hij niet alleen in woede tegen bad guys als Fidel Castro en de Zapatistische commandant Marcos, maar ook tegen George Söros, die zich kritisch uitliet over het moderne kapitaalverkeer, en Hans Magnus Enzensberger, die twijfels had over de ongebreidelde mondialisering.

Helemaal ongelijk heeft Vargas Llosa niet. Democratie en markteconomie gaan ongetwijfeld hand in hand met vrijheid en vooruitgang. Maar een beetje gelijk hebben is onvoldoende, wanneer derdewereldlanden moeten vaststellen dat de beloften daarvan hardnekkig maar geen feiten willen worden. Dat dit aan het kapitalisme zou liggen wil er bij Vargas Llosa niet in. Volgens hem vragen de onvolkomenheden van de mondialisering niet om minder, maar juist om meer vrije markt.

In zijn columns stijgt Vargas Llosa zelden uit boven de gedachten die bij ieder intellectueel onderlegd mens wel eens opkomen en blijkt hij even vatbaar voor clichés. Nederland als paradijs van vrouwenemancipatie en euthanasiewetgeving, België als een onopvallend land vol onvermoede hartstochten, Nelson Mandela als seculiere heilige en de hedendaagse cultuur als hersenloos vermaaksregime: het klopt allemaal wel zo'n beetje, maar interessant wordt het pas waar het niet meer klopt. Precies op dat moment laat Vargas Llosa het vaak afweten.

Het niveau van zijn grote romans haalt Vargas Llosa nergens. Maar wie de overtuigingen van Vargas Llosa kent, ziet hoe hij in romans als Het feest van de Bok de geschiedenis subtiel naar zijn hand zet en tot een pleidooi maakt voor de politiek die hij in zijn essays verdedigt. Het politieke is bij Vargas Llosa nu eenmaal nooit ver weg. Ook niet wanneer hij dat met enige nadruk onvermeld wil laten.

Mario Vargas Llosa: De taal van de hartstocht. (Vert. Aline Glastra van Loon). Meulenhoff, 256 blz. €17,95