Uitgekeken op zichzelf

Connie Palmen zoekt in haar nieuwe roman vooral de weg terug naar de werkelijkheid, voorbij de almacht van de fictie. Dat is bewonderens- waardig. Maar in het boek zijn toch vooral de schokgolven te voelen van een gebeurtenis die zich aan de roman zelf onttrekt.

Als Pim Fortuyn november vorig jaar zijn vingers tegen zijn slaap zet om een volle zaal, of eigenlijk het hele land, te salueren met de woorden `At your service', slaat Connie Palmen de schrik om het hart. Omdat ze de man kent, maar meer nog omdat ze de woorden kent. Ze houdt zich dan al vier jaar bezig met de strekking en de bijbetekenissen van die woorden, in haar oren klinkt op dat moment de titel van het boek waaraan ze werkt.

Geheel de uwe.

`En iets jakkert in mijn maag', aldus de openingspassage van een lezing die ze nauwelijks een week na Fortuyns dood hield en in Vrij Nederland liet afdrukken. `En iets zegt me dat hij op die dag, met dat saluut, zijn lot bezegelt.'

Na die omineuze inzet volgt een tekst, in onvermijdelijke haast maar ook in kennelijke koorts geschreven, die je nu eens zonder overdrijven fascinerend kunt noemen. Palmen neemt in korte flitsen het leven van Fortuyn onder de loep. De jeugd onder een tirannieke vader bij wie hij vergeefs respect zocht en een zeer beminde maar afstandelijke moeder. Het verlangen aansluiting te vinden bij de PvdA van Joop den Uyl (`Je zou willen dat hij je vader was') en het respect dat hij ook daar niet vond. De ontwikkeling tot politieke buitenstaander en lawaai-papegaai. Het schaamteloze leven als bekende Nederlander die zelfs zijn uren in de darkroom openbaar maakt. De verbijsterende intocht in het centrum van de politiek, alsnog, en het absurde einde van die zegerit. Ze legt dat alles naast het leven van de held van haar roman in wording en zoekt daarin een antwoord op het raadsel dat Fortuyn geworden is. Een roman als sleutel tot de actualiteit.

Dat is nogal een ongewone omgangsvorm met literatuur – en niet alleen omdat Geheel de uwe bij die lezing nog niet eens gepubliceerd was. Een roman is autonoom, zoals het machtswoord luidt. Ze is een wereld op zichzelf, ze stelt haar eigen wetten, en al wijzen die vaak naar de werkelijkheid, dat is niet het enige of het belangrijkste criterium waarop je haar beoordeelt. Dat zou reductionistisch zijn, het doet af aan de meerduidigheid, dat doe je niet als lezer.

Laat staan als schrijver.

Maar Palmen doet dat dus wel, dwars als ze is, en zonder dat het de roman geweld aan doet. Want nu Geheel de uwe in de winkel ligt, blijkt dat het boek ook zelf de werkelijkheid opzoekt. Het heeft de documentaire opzet van een biografie, voorzien van voor- en nawoord en de hele rataplan – iets over methodiek en bronnen, de geïnterviewden en de dank die hen verschuldigd is.

Dat is natuurlijk spel en dus juist fictie. Ook al zie je in de held van het verhaal al gauw de trekken terug van Ischa Meijer, eerder al met naam en toenaam opgenomen in Palmens vorige roman I.M., hij valt daar dit keer niet mee samen en hij heet ook anders. Alle namen zijn verzonnen, zelfs de biografe heet niet Connie maar Charlie, en tot overmaat van dubbelzinnigheid laat zij ons weten dat haar werk als een roman gezien moet worden – min of meer zoals I.M. naar Palmens aanwijzingen als roman gezien moest worden. De gegevens mogen dan ontleend zijn aan de werkelijkheid, ze staan in het gelid van een structuur, een visie, een idee van de auteur.

Dat hoeft alleen niet te verhinderen dat het betoog toch iets van onze werkelijkheid blootlegt. Dat structurerende idee dat hier als fictie wordt benoemd, is niet fictiever dan een hypothese in een proefschrift. Het is een product van de verbeelding, helemaal waar, maar van het soort dat juist tot doel heeft tot de werkelijkheid door te dringen en er meer van te begrijpen. Het wil toetsbaar zijn – en liefst toepasbaar.

Alle reden daarom om Geheel de uwe toch heel serieus te nemen als het voorwoord er een uitgesproken wetenschappelijke doelstelling aan meegeeft. Het betoog wil over meer gaan, heet het, dan alleen het leven van één man. Want in dat leven spiegelt zich de wereld om hem heen. `Afhankelijk van hoe je het aanpakt kan de beschrijving van een persoon volstaan om een heel tijdperk op te roepen. Het gaat vanzelf. Zodra je in een ziel duikt treft je een cultuur aan.'

Met daarin verwante zielen, onderhevig aan verwante krachten. Zoals mogelijk, bien étonné, Pim Fortuyn.

Met de ziel van Fortuyn heeft die in deze biofictie inderdaad wel wat gemeen. Ook Salomon Schwartz, in 1995 te jong gestorven aan een hartkwaal, journalist en schrijver, nooit lang uit het nieuws, was een provocateur en een charmeur. Hij leefde op aandacht zoals anderen op zuurstof en zijn leven werd dan ook geheel geleefd in het publiek domein. De trauma's die hij torste en de vrouwen die hij had, hij was een open boek.

Ook bij Schwartz laat dat gedrag zich terugvoeren tot een kindertijd onder een dierbare maar afstandelijke moeder en een autoritaire vader, bij wie hij geen goed kon doen. Tot zijn ontzetting werd hij rond zijn achttiende zelfs door hen verstoten, een gebeurtenis die voor hem onbegrijpelijk zou blijven, en sindsdien had hij geen andere manier meer om nog in hun oog te blijven dan via de openbaarheid. Zijn bestemming lag vast. Hij zou ze laten zien dat hij bestond, nog steeds, ja meer dan ooit, ten overstaan van iedereen en alles.

Schwartz werd schrijver annex schreeuwlelijk en vond zijn stiel ten slotte in een column die hij vormgaf als een brief, gericht aan wisselende adressanten, maar tussen de regels elke keer weer aan zijn ouders. Zelfs de titel, T.T., kwam van zijn vader, die een intellectueel van de verongelijkte soort was, altijd uit op het ontmaskeren van onbenul en eigenwaan, en die zijn boze brieven ondertekende met die afkorting van totus tuus. `Geheel de uwe' – dienstbaar en wellevend, maar intussen grimmig en ongrijpbaar.

Die dubbelzinnigheid werd ook voor Schwartz' werk de lijn. Hij gaf zich bloot, maar op de afstand van een brief. Hij gaf zich bovendien aan iedereen bloot en dus eigenlijk aan niemand. Hij leek kwetsbaar, maar hij maakte zich juist ongenaakbaar, en zo deed hij het ook in het dagelijkse leven. Hij wekte meesterlijk de indruk dat hij zich met huid en haar aan iemand gaf, om kort daarop de deur achter zich dicht te trekken alsof er nooit iets was voorgevallen. Hij verleidde zonder zich te binden en verliet voordat hij zelf, opnieuw, verlaten kon worden.

De `pathologie van de theatrale persoonlijkheid', heet dat in Geheel de uwe. Wie als kind niet is gezien voor wat hij was, wie door zijn ouders is geanonimiseerd, die draait in zijn volwassen leven de verhoudingen om door zelf gezien te worden en de blik van anderen te anonimiseren. Hij leeft op een podium en speelt zelfs voor zijn naasten. Ook al denken die dat ze iets met hem delen, als het erop aankomt zijn ze deel van zijn publiek, onzichtbaar in het donker van een zaal.

Tot zover de ziel. Over naar de wereld daaromheen, de cultuur, en Palmen heeft haar boek daar in de vorm geheel op toegesneden. Het verhaal van Schwartz wordt verteld door vijf mensen die als het ware bij hem in de zaal hebben gezeten. Vrouwen, niet toevallig, want zij waren het voornaamste doelwit van zijn charmes. Zij kennen daar de meest intieme kanten van, het liegen en bedriegen en beschadigen, en proberen bij zichzelf te achterhalen waarom ze zich daaraan onderwierpen.

Wat is de `verwoestende verleidelijkheid' van die pathologie?

Een deel van de verklaring, dat beamen alle vijf de vrouwen, ligt in de enorme concentratie die zo'n theatrale persoonlijkheid in zijn attenties weet te leggen. Praten, luisteren, cadeautjes geven, koken of juist feestelijk uit eten, het kan allemaal niet op. Een ander deel ligt in het besef dat hij een rol speelt en straks weer zijn biezen pakt. Een aantal vrouwen voelt dat aan en ziet daar een verborgen voordeel in – ze hoeven zich al net zo min aan hem te binden als hij aan hen.

Met die verklaring wordt de vraag alleen verlegd, want waarom binden zij zich ook al niet? Dat is het raadsel wat zich ophoudt in hun woorden, sterker, in dit hele boek, en in de loop daarvan gaat opvallen dat zij in een beslissend opzicht op hem lijken. Drie van hen, een psychiater, een actrice en een hoer, doen werk waarvoor zij zich in dienst lijken te stellen van een ander, maar daarbij een rol vervullen die ze na gedane zaken afleggen. Voor de twee anderen, de biografe en een oude non met wie Schwartz debatteerde over levensvragen, ligt het ingewikkelder, maar ook zij stellen zich ten dienste van een ander, zelfs de Ander, zonder dat ze zich daarbij persoonlijk hoeven bloot te geven.

Kennelijk is er in onze maatschappij een sterke hang naar de onkwetsbaarheid van zo'n positie, suggereert Geheel de uwe, en het boek zoekt daarvoor een verklaring in wat aan de universiteit `gezinssociologie' heet. In de naoorlogse wederopbouw zouden vaders zich steeds meer aan hun gezin hebben onttrokken door buitenshuis steeds langere werkweken te maken, met als resultaat dat thuis het rolpatroon kapot ging. Moeder, in haar eentje toenemend overbelast, verloor de achting van de kinderen, terwijl de verre vader in hun ogen uitgroeide tot een icoon. Zijn leven leek voor hen begeerlijk doordat het aan niets gebonden leek, in elk geval niet aan het hinderlijke wederzijdse van de banden thuis. Ze zagen hem vanuit het donker van de zaal – en zagen hun gedroomde rolmodel.

Palmen zet haar zoeklicht in Geheel de uwe daarmee op een maatschappij, de onze, waarin mensen de afhankelijkheid leren schuwen die bij menselijk contact hoort. Ze verlangen naar de onaantastbaarheid van een bestaan waarvan ze zelf de schepper zijn en wenden zich daartoe steeds verder af van de traditie, de familie en uiteindelijk de hele werkelijkheid. Ze trouwen niet meer en krijgen ook geen kinderen meer, ze leven in hun eentje naar hun eigen fictie, tot voorbij het punt waar die vijandig wordt aan het leven zelf.

Dat is een onverwacht geluid voor Palmen, want totnogtoe was haar werk juist één lang pleidooi voor dit soort thuisgemaakte fictie. Al meteen in haar debuut ging het erom de Wetten uit de titel, die de wetten van de werkelijkheid waren, te doorgronden om ze naar je hand te leren zetten, zodat je minder afhankelijk wordt van die werkelijkheid. Je bestaan veranderen in een verhaal, je lot omzetten in een plot, dat was de strategie. De plot publiek maken en daarmee zorgen dat de wereld je verhaal overneemt, dat was het doel. Het podium op!

Die handleiding voor het leven was voor Palmen zelf een ongehoord succes, getuige het publiek dat ze met haar eerste boeken won. Maar bij I.M. kwam de kritiek los, want er openbaarde zich met die roman een akelige leegte in haar podiumoptreden. Eenmaal losgezongen uit de werkelijkheid bleek Palmen daar ook wel zo'n beetje over uitgepraat. Ze wierp uitsluitend nog zichzelf over het voetlicht, dat wil zeggen haar fictieve zelf, haar personage, in de hoop dat het publiek haar zacht zou opvangen. Maar het publiek had meer te doen dan haar gelukkig maken en keek uit een ooghoek naar de smak die volgde.

Geheel de uwe levert een getuigenis dat Palmen die klap te boven is gekomen. De roman herneemt de stof waaruit I.M. ook al was opgebouwd en zoekt revanche. De hoofdstukken zijn allesbehalve leeg, het denkwerk vliegt je om de oren en de strekking is opmerkelijk zelfkritisch, zeker voor een schrijver die nooit zo de neiging had zichzelf slecht nieuws te brengen. Het streven naar een maximale onafhankelijkheid van de werkelijkheid dat eerder als een ideaal werd voorgesteld, verschijnt nu als een blijk van onvermogen. Een gebrek aan overgave, een tekort aan werkelijkheid. Het streven om de wereld van de fictie met die van de werkelijkheid te mengen openbaart zich als een gevaarlijk misverstand.

Geheel de uwe is daardoor een onderzoekend boek geworden, meer dan enig ander boek van Palmen. Met de blik naar binnen, maar nu ook naar buiten, en haar lezing na de dood van Pim Fortuyn laat zien dat ze echt beet heeft. In haar termen is Fortuyn een man die leefde naar het leidende principe van de fictie, maar vooral een man die dat wou overbrengen op de werkelijkheid. Een man die tevergeefs een vader zocht, waardoor hij eeuwig zoon bleef en ging dromen van de grootste vaderrol die hij bedenken kon – die van het leiderschap van een heel land. Een man, kortom, die werelden en rollen hoopte te verenigen die zich niet laten verenigen en echt geheel de onze wilde worden. Dat is wat hem brisant maakte. Dat is wat hem aantrekkelijk maakte voor een hele natie die met deze werelden en rollen worstelt. En dat is ook wat zijn moordenaar aantrok. Want hoe kan het anders dat die moordenaar een man was die net vader was geworden? Die van de ideeënwereld van het dierenactivisme in de echte werkelijkheid gevallen was en daar zo slecht mee kon omgaan dat hij de draad kwijtraakte?

Twee mannen in verwarring over vaderschap en werkelijkheid. Ik vind dat een briljante theorie, ontstegen aan elk gangbaar idee over de moord, verbeeldingrijk, om niet te zeggen van de pot gerukt, maar ook zo scherp en op de een of andere manier onthullend, rakend aan de wereld zoals je die kent, dat je toch wordt meegesleept. Een echte Mulisch eigenlijk – maar dan net anders, ten bewijze dat Palmen wel degelijk een van de echte vrije geesten is van onze letteren.

Maar net die theorie ontbreekt in Geheel de uwe, heel Fortuyn ontbreekt erin, en dat laat een typerend onderscheid tussen roman en lezing zien. De lezing is gegroeid uit een gebeurtenis die als een bijl in onze wereld is gezet en een raadsel vormt, het soort gebeurtenis dat een mooi uitgangspunt zou zijn voor een roman. Maar de roman zelf mist zo'n uitgangspunt. Er is geen moord, geen drama, geen begin van actie zelfs. Er is alleen een man, een paar jaar dood al.

Dat geeft de woorden van de vijf sprekende vrouwen iets merkwaardig zwevends. Ze vertellen geen verhaal, uitsluitend losse anekdotes, en uitsluitend voor zover die op hun analyses aansluiten. Ze redeneren zich een slag in de rondte – over Schwarz, over zichzelf en over het verband daartussen, over het verband tussen hen onderling zelfs. Is een hoer in wezen geen actrice? Lijkt een non in wezen niet weer op een hoer, in die zin dat ze seks en liefde scheidt, maar dan dus omgekeerd, celibatair juist? En hoe zit het met een psychiater, die zich immers ook per uur verhuurt? De associaties dijen bij gebrek aan kern van een verhaal steeds verder uit, tot je als lezer het gevoel krijgt dat je naar een kring van dames kijkt die zich verrukkelijk vermaakt en jouw aanwezigheid daarbij intussen helemaal vergeet.

Daar komt bij dat de vrouwen, op de plechtige oude non na, in karakter en in stem maar weinig van elkaar verschillen, en in mening zelfs nog minder. Ze zijn het voortdurend eens, je snapt niet hoe het kan. Hun woorden vormen samen een betoog van een welhaast miraculeuze eensgezindheid – en vandaar misschien dat Palmen in haar lezing zo verrassend weinig moeite had om de meerduidigheid van de roman te reduceren tot een korte uitleg bij de actualiteit. Die meerduidigheid is er niet. Het is unisono Palmen zelf.

Dat alles doet een boek als dit geen goed. Het wil zich tot de werkelijkheid wenden en zich kennelijk dus openstellen voor de grilligheid en tegenstrijdigheid daarvan. Maar als het erop aankomt valt het terug op een manier van denken die dat allemaal toch gauw weer gladstrijkt en tot kloppen dwingt, en eens te meer tot fictie maakt.

Palmens roman wil concreet zijn en toepasbaar voor het leven, maar het vreemde is: het blijft niettemin zo bij abstracties dat het in een kleine vierhonderd bladzijden eigenlijk toch minder heeft te bieden dan haar lezing in vier.

Connie Palmen: Geheel de uwe. Prometheus, 384 blz. €24,95