Roeispanen voor noodgevallen

MAIORI. De verdrinkingsdood schijnt een bijzonder aangename te zijn.

We zaten in een kleine vissersboot die we voor drie uur hadden gehuurd, niet ver van de kust van Salerno. Er waren geen andere boten op het water. De lucht had de kleur van schelpdieren die bezig waren te verrotten.

Toen wij midden op zee waren legde ik de boot stil en kleedden we ons zwijgend uit. Een kleine trap die bij de boot zat hing ik uit. Springen is nooit mijn ding geweest.

Mijn moeder had gezegd: ,,Verdrink niet.'' In de jaren vijftig had ze in een Israëlische badplaats, waar ze als serveerster werkte en verliefd werd op een oudere kok omdat hij haar altijd wat extra's gaf, verscheidene mensen zien verdrinken. ,,De Middellandse Zee is woest'', had ze gezegd.

Niet hier.

,,Zijn er beesten?'' vroeg mijn reisgenote, nadat ik mij met veel moeite maar gezien de omstandigheden toch gracieus in het water had laten zakken.

In de boot lagen onze bezittingen, wat kleren, een telefoon, Dostojevski's Aantekeningen uit het ondergrondse, een fles water en twee roeispanen voor noodgevallen.

We waren alleen en we waren naakt. Een ideale plek voor een moord.

,,Naakt zwemmen is heerlijk'', zei de reisgenote. Toen ik kleuter was liet mijn moeder mij regelmatig naakt door de bossen paraderen, omdat ze een natuurmens was. Aan het begin van mijn puberteit heb ik het nudisme afgezworen, maar een halszaak is het ook weer niet.

We zwommen om de boot heen. Plannen voor de toekomst had ik niet, maar dat was ook niet nodig. De toekomst kwam vanzelf, ook zonder plannen.

Na een rondje of vijf hingen wij aan de boot.

,,Je vindt het niets hè'', zei de reisgenote.

,,Wat?''

,,Dat ik voor een damesblad ga werken.''

,,Ach, als ik een dame was had ik ook allang voor een damesblad gewerkt. Bovendien is het nuttig werk, mensen feliciteren met hun eigen onwetendheid. Daar worden ze graag mee gefeliciteerd.''

We klommen terug in de boot en wilden ons laten opdrogen door de lucht. Zoiets praktisch als handdoeken hadden we natuurlijk niet meegenomen.

De God van het weer had andere plannen. Eerst begon het alleen te regenen, maar toen sloeg ook de bliksem toe en over getroffen worden door de bliksem had ik nog nooit iets goeds gelezen. Bovendien scheen doodgaan me opeens wel heel veel toekomst in één keer.

Het was zaak de toekomst te ontvluchten.

Ik begon als een gek aan de motor te trekken.

,,Je moet hem eerst in zijn neutraal zetten'', zei de reisgenote.

Ik trok en ik trok en uiteindelijk sloeg de motor aan. Met volle vaart koerste ik af op de kust.

,,Daar zijn grotten'', zei ik, ,,daar kunnen we wel schuilen.''

De grotten waren bezienswaardig. Wij zouden de redding van ons eigen leven combineren met bezienswaardigheden, wat mij de juiste tijdsbesteding voor een vakantie leek. Maar eerlijk gezegd had ik weinig vertrouwen in die redding. ,,We zullen sterven'', zei ik, en ik trok mijn kleren aan, want ik wilde de dood gekleed tegemoet treden.

Ondanks het besef dat ik de laatste minuten van mijn leven meemaakte voelde ik goed hoe vochtig ik was. De regen had ons zicht beperkt.

Een vochtige aangelegenheid, dat was het leven. Hopelijk was de dood iets droger.

,,Waar varen we eigenlijk heen?''

,,Naar een grot'', zei ik.

In de boot ontwaarde ik een drijfnat exemplaar van Aantekeningen uit het ondergrondse. Dat was een cadeautje van de reisgenote en ik begon zachtjes te jammeren.

,,Ik koop wel een nieuwe'', zei de reisgenote.

,,Doe dat maar niet. Dat zijn dure boeken. Voor de prijs van één zo'n boek zit je drie uur gevangen op het kantoor van dat damesblad tussen allemaal mensen die van achteren niet weten dat ze van voren leven.''

De reisgenote pakte een roeispaan en begon daarmee hard op de bodem van de boot te kloppen terwijl ze riep: ,,Ik heb er genoeg van. Wat moet ik dan doen? Een kluizenaar worden zoals jij?''

Ze kan de onredelijkheid zelve zijn.

,,Ik zie honderden, nee duizenden voorbijgangers per dag'', riep ik terug, ,,ik ben geen kluizenaar.''

Op de bodem van de boot begon zich een plas water te vormen waarin onze schoenen en Dostojevski dreven.

De grot waar wij uiteindelijk terechtkwamen bleek niet zozeer een grot als wel een klein strand van kiezelstenen, met daar omheen hoge rotsen.

,,Als we de boot niet vasthouden'', zei de reisgenote, ,,drijft hij weg.''

,,Trek hem dan op het strand'', zei ik, ,,trek dan.''

Uiteindelijk lukte het ons de boot op het kleine strand te trekken. We waren niet getroffen door de bliksem, maar daarmee was alles gezegd.

Terwijl frisse zomerregen op ons neerdaalde stonden wij tegen een rots geleund en de reisgenote zei: ,,Je kijkt eigenlijk alleen vrolijk als je je moeder aan de telefoon hebt.''

,,Hoezo?''

,,Nou die drie keer per dag dat je met haar belt, dan zie je er gelukkig uit.''

,,Twee keer per dag.''

,,Gisteren drie keer.''

De intensiteit van het onweer nam af.

,,Dit is ongelooflijk'', zei ik, ,,dit heb ik nog nooit meegemaakt. Je bent jaloers op mijn moeder. Dit is een unicum. Hiervoor zou je een prijs moeten krijgen. Dit is echt fantastisch. Dit moet ik mijn moeder vertellen, hier wordt ze gelukkig van. Maar laten we eerst terugvaren naar Maiori, we zijn al ruim drie uur weg.''

Eerst nog rustig, maar al snel steeds fanatieker probeerden wij de boot in het water te trekken. De boot had zichzelf ingegraven. De reisgenote haalde de roeispanen tevoorschijn en probeerde daarmee de boot uit te graven, maar ook dat was vergeefse moeite. Uiteindelijk hield ze een roeispaan recht voor zich uit en leek me daarmee op mijn hoofd te willen slaan. ,,En wat je over me schrijft daarvan heb ik ook genoeg.''

Ik beschermde mijn gezicht met de andere roeispaan en zei: ,,Als ik niet over je schrijf is het niet goed, als ik wel over je schrijf is het niet goed, jij bent niet tevreden te stellen en weet je waarom niet? Omdat in je hoofd een steekje los zit, niet één steekje, wel tien steekjes.''

Ze rukte op met de roeispaan en ik zei: ,,Laten we verstandig blijven, we moeten de wegenwacht voor boten bellen.''

Mijn mobiele telefoon had geen bereik of was voorgoed uitgeschakeld omdat hij net zo nat was geworden als Dostojevski.

,,Je moet eens zien hoe leuk jij het vindt als ik over jou ga schrijven, ik snap niet waarom ik me zelfcensuur opleg'', zei de reisgenote.

,,Houd op met die zelfcensuur, ik heb me nog nooit zelfcensuur opgelegd, ik geloof in het woord en zijn genezende kracht. De werkelijkheid kun je bij elkaar liegen, fictie niet, fictie verdraagt geen leugens. Maar ik werk dan ook niet bij een damesblad, want daar geloven ze alleen in plaatjes en glanzend papier.''

Daarop liet de reisgenote de roeispaan vallen, liep het water in en begon te zwemmen.

Ik riep haar nog na: ,,Je zult verdrinken, ik heb je gewaarschuwd, maar ik trek mijn handen van je af. Je wilt niet gered worden. Je vergooit jezelf.''

Ik bleef achter, legde mijn schoenen, boek en telefoon te drogen en begon na te denken hoe ik over deze ervaringen zou moeten schrijven.

Na een klein kwartier zag ik de reisgenote in de verte in de zee. In haar kielzog verscheen een pleziervaartuig waarop de Italiaanse vlag wapperde.

Drie mannen stonden op het dek. Een van hen dook sierlijk in het water en zwom met krachtige slag naar mij toe. De redder was van middelbare leeftijd, bijzonder harig en hij wist hoe je boten moest uitgraven.

Toen hij daarmee klaar was, verdween hij zonder verder iets te zeggen naar zijn pleziervaartuig, waar hij onmiddellijk iemand begon te bellen.

Ik durf te zweren dat dat zijn moeder was.