Raaskallende rekenmeesters

Als het overheidsbudget krap is in Nederland, komen economen met creatieve plannen die niks kosten en toch wat opleveren. Juist nu de economische tegenwind aanwakkert, is er opnieuw behoefte aan gedurfd en vernieuwend beleid. Helaas, de meeste revolutionaire ingrepen leggen het af tegen nuchtere cijfers.

Vlak voor de verkiezingen ontvingen toonaangevende beleidsmakers in Den Haag de bundel Meesters van de Welvaart. In een begeleidend briefje wezen de samenstellers op de in hun boek geopperde onorthodoxe oplossingen voor de problemen van de Nederlandse volkshuishouding. De timing dwong achteraf bewondering af en niet alleen omdat de maatschappelijke urgentie van veel problemen goed voorvoeld was, waardoor op tal van terreinen oplossingen werden aangedragen waarop de Lijst Pim Fortuyn een sterk engagement toonde. De publicatie kan wat toon en benadering betreft ook prima mee in de nieuwe en verfrissende wind die in de hoofdstad waait. De doelstelling is namelijk vijftien topeconomen onverdunde beleidsadviezen te laten geven waarbij originaliteit belangrijker is dan haalbaarheid en wenselijkheid.

Origineel zijn die adviezen zeker. Aangezien het prijsmechanisme niet werkt op de markt voor ziektekostenverzekeringen (een premieverschil van honderd euro leidt niet tot overstap naar een andere zorgverzekeraar), moet er volgens Erik Schut een stemplicht voor verzekerden worden ingevoerd. Coen Teulings, heeft bedacht dat we moeten afzien van toezicht op natuurlijke monopolies, omdat dat wel goedkoper is voor de klant, maar niet voor de burger. Die verliest, doordat de opbrengst bij privatisering van een gereguleerd monopolie tegenvalt en de belastingopbrengsten dus minder verlaagd kunnen worden.

Piet Eichholz geeft een recept om de wensdroom van een Eigen-Huis-Voor-Iedereen te realiseren: meer bouwgrond en grotere percelen. `De overheid bemoeit zich niet met het assortiment van Albert Heijn en het is de vraag waarom ze dat wél zou moeten doen met het assortiment van de Nederlandse woningbouwers', aldus Eichholz in een originele ontkenning van het gegeven dat het volbouwen van Nederland mogelijk op gespannen voet staat met de behoefte aan ruimte voor andere economische activiteiten en overheidstaken als bescherming van het milieu.

Traditie

Het meest ambitieuze voorstel komt van Harry van Dalen (zijn hoofdbetrekking heeft hij bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) en Frank Kalshoven (adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant). Zij bepleiten een geheel nieuwe inrichting van de besluitvorming over de economische politiek. In de kern komt hun voorstel neer op het verlaten van de traditie die werd gevestigd door Jan Tinbergen, Nobelprijswinnaar en eerste directeur van het Centraal Planbureau. De evenwichtige, op kennis van instituties, theorie en empirisch onderzoek gebaseerde oordeelsvorming door vakmensen moet daarbij worden vervangen door een soort jury-rechtspraak op basis van pleitnota's van economen.

Economen moeten zich, volgens Van Dalen en Kalshoven, net als advocaten in dienst stellen van mogelijke deelbelangen en mooie zo overtuigend mogelijke verhalen schrijven waarin louter de argumenten van het deelbelang tot hun recht komen. De jury (de Tweede Kamer, het publiek, de media) zal vervolgens wel uitmaken wie het beste verhaal vertelt. En omdat economie toch politiek gekleurd is (en alle adviseurs dus ook), is het beter dat iedereen voor zijn kleur uitkomt. Door het debat als jury-rechtspraak te organiseren is transparant wiens brood men eet en wiens woord men dus spreekt. Net als advocaten zullen economen er alle belang bij hebben om alle informatie die relevant is voor hun cliënt op te sporen en te overleggen.

De oprechte ergernis van Van Dalen en Kalshoven dat sommige onderwerpen maar niet willen doordringen tot de politieke agenda, is te begrijpen. Evenmin kan men zich aan de indruk onttrekken dat er dikwijls inderdaad een premie lijkt te staan op slechte, onevenwichtige economische analyses; de door hen besproken besluitvorming van de Betuwelijn is daar een aansprekend voorbeeld van. Maar bij de uitwerking in deze bundel moeten serieuze vraagtekens worden geplaatst. De kern van de professionele economische analyse is dat zij wordt gebaseerd op controleerbare gegevens, dat de argumentatie, methoden en technieken transparant worden gepresenteerd en dat bronnen zijn gedocumenteerd. Voor de beleidsvoorbereiding komt daar de eis bij dat een consistente en evenwichtige beleidsaanbeveling volgt. En hierin schieten de meeste bijdragen aan deze bundel tekort.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen. Hessel Oosterbeek slaagt er overtuigend in helder uiteen te zetten dat de belastingfaciliteit voor opleidingskosten iedere theoretische, empirische en praktische basis ontbeert. In het algemeen blijft de lezer echter zitten met veel vragen. De als ruwe becijferingen gepresenteerde beweringen dat een toename van de immigratiestroom met tien procent leidt tot een ruwweg twee procent lager inkomen per hoofd of dat een spitsheffing van twee euro om kwart over acht voor de Coentunnel optimaal is, zijn oncontroleerbaar. Onder het aura van de topeconoom zitten ongetwijfeld sterke aannames, specifiek geïnterpreteerde gegevens of partiële benaderingen. Zulke elementen zijn op zich geen aanwijzing voor slechte economie – het gebrek aan transparantie daarover is dat wel.

Geen wiskunde

Waarschijnlijk komt deze zwakte geheel voor rekening van de samenstellers. Het kan niet het gevolg zijn van de kwaliteit van de auteurs, die inderdaad als top-economen kunnen gelden. Allen staan in hoog aanzien in de internationale wetenschapsbeoefening en beschikken over een vlotte pen. Het gevoel bekruipt de lezer dat Van Dalen en Kalshoven deze topeconomen op pad hebben gestuurd met verkeerde richtlijnen over stijl en vorm: `geen grafieken, geen tabellen, geen voetnoten, geen wiskunde'. Daardoor moet de lezer maar geloven in de validiteit van het ongedocumenteerde beroep op wetenschappelijke autoriteiten, recente toonaangevende studies en de niet altijd even navolgbare consistentie van veelal impliciet gelaten redeneringen.

Sommigen gaat deze beperking beter af dan anderen. Marcel Canoy schreef met merkbaar duivels plezier een fabel over het feilen van veilen. Het betoog van Lans Bovenberg is bewonderenswaardig leesbaar, begrijpelijk en overtuigend gebleven ofschoon hij een complexe materie behandelt, namelijk de vraag hoe men instituties moet aanpassen om het spitsuur van het moderne leven (carrière, kinderen, scholing, woning) te ontvlechten. Al te vaak blijkt echter dat de vorm van een pleitnota ongeschikt is om voldoende tegemoet te komen aan de eisen die men mag stellen aan professionele economiebeoefening. Meesters van de Welvaart bevat een bundeling interessante analyses van goede economen, maar dat is iets anders dan goede economie.

Pretenties

De vergelijking met Economie zonder voetnoten, een inleiding in de economie van de Belg Johan Lambrecht, dringt zich op. Een handzaam boekje zonder de ondraaglijke last van semi-literaire pretenties of de drang tot ingewikkeld en origineel theoretiseren. En het is geschreven met liefde en inzicht in wat relevant is. Feiten, cijfers en vaktermen zijn op begrijpelijke wijze uitgelegd.

Ook Lambrecht gaat het er om de burger beter zicht te geven op de economische politiek. Ook Lambrecht ziet politici te kust en te keur goochelen met economisch-politieke begrippen. Hij wil daarom vooral de draagwijdte van die begrippen voor een lekenpubliek duidelijk maken, al was het maar omdat dit de burger in staat stelt `een gezonde kritische houding te kunnen aannemen over beslissingen van economisch-politieke aard'. Maar Lambrecht bereikt zijn doel veel effectiever dan de Meesters van de welvaart – al zijn de vervlaamste vaktermen soms minder relevant voor Nederlandse lezers en is mijn oordeel misschien positief gekleurd doordat het boek begint met een citaat van de cartoonist Kamagurka: `economie is toch eigenlijk het ware leven'. Dat is nog eens een verfrissend en origineel inzicht: economische politiek beschrijven met de diepgang èn amusementswaarde van De Avonturen van Suske en Wiske. Een pakkende titel? De raaskallende rekenmeesters.

H. van Dalen e.a.: Meesters van de welvaart. Topeconomen over Nederland. Balans, 232 blz. E16,50 J. Lambrecht: Economie zonder voetnoten. Lannoo, 224 blz. E14,95