Plechtanker diplomatie

Het was niet president Bush die deze week geharnaste taal sprak over een mogelijke aanval op Irak – hij is met vakantie op zijn ranch in Texas – maar zijn tweede man, Cheney. De chef heeft het laatste woord, dus is het afwachten wat Bush op dit moment precies vindt. Maar aangenomen mag worden dat de speech van Cheney, gehouden voor oorlogsveteranen, niet zonder ruggespraak tot stand is gekomen. Weging van zijn woorden kan maar tot één conclusie leiden: als al twijfels bestonden over de bedoelingen van Washington aangaande het Irak van Saddam Hussein, dan heeft Cheney die weggenomen. De kans dat de Verenigde Staten een preventieve aanval op Irak zullen lanceren is levensgroot aanwezig. Aan wat Cheney ,,wensdenken'' noemde – hopen dat toekomstige terreurdaden uitblijven en dat handelen niet hoeft – kan Washington zich niet overgeven. En dus zal er vroeg of laat gehandeld worden. Althans als het aan de machtige en invloedrijke vice-president ligt.

Het is deze wetenschap, gekoppeld aan de opmerkelijke afwezigheid van actieve diplomatie, die de wereld nerveus maakt. Het vooruitzicht van betrokkenheid bij een oorlog tegen Saddam heeft begrijpelijk genoeg huiveringen in de meeste hoofdsteden veroorzaakt. Zeker, er was sprake van een coalitie in de strijd tegen het terrorisme na de aanslagen van 11 september. Maar die begon zienderogen af te brokkelen naarmate duidelijker werd dat Washington de koers bepaalde en dat de partners slechts hadden te volgen. Fricties hierover leidden tot de veelbesproken Atlantische kloof tussen Europa en de VS. Nu is de vraag actueel of de coalitiepartners de strijd met Saddam Hussein aan willen; of in dat geval überhaupt nog sprake van een coalitie is, dan wel van een solitair optreden van Amerika. Denkbeeldig is dat laatste niet, hoe ongewenst het ook zou zijn. De VS zijn als enig overgebleven supermacht in staat waar dan ook grootschalig militair in te grijpen. Maar zonder mandaat en met een aarzelende en ernstig verdeelde wereldgemeenschap zal een Amerikaanse Alleingang de internationale verhoudingen, toch al ontregeld, op scherp zetten. Het speelt Saddam in de kaart en verstoort de gezamenlijke strijd tegen het terrorisme.

Richard Holbrooke, onder president Clinton ambassadeur bij de VN, een man gepokt en gemazeld in de internationale diplomatie, legde deze week de vinger op de zere plek. Hij schreef met recht dat de weg naar Bagdad via de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties loopt. De regering van George Bush jr. heeft meermaals duidelijk gemaakt zich weinig aan te trekken van internationale fora als de VN. Als voldongen feit valt daar weinig aan te doen, maar te betreuren is het wel. Het zal ook niet meevallen om mét mandaat Irak aan te pakken: het internationale recht biedt nu eenmaal weinig ruimte voor het soort `anticiperende zelfverdediging' dat Washington voor ogen staat. Toch kunnen de VS, hoe machtig ze ook zijn, niet zonder steun in een oorlog tegen Irak. Steun vergaren betekent actief diplomatiek werven voor een resolutie van de V-raad, die Saddam direct onder druk zet. Zoals Holbrooke schreef: een nieuwe resolutie die het gebruik van geweld toestaat als Saddam Hussein weigert in te stemmen met waterdichte wapeninspecties. Aan zo'n vorm van steunverwerving mankeert het. De Amerikaanse diplomatie is afwezig – het plechtanker van de vredeshandhaving en de openbare legitimatie voor het voeren van een `rechtvaardige oorlog'. Het heeft de weinig heldhaftige partners kopschuw gemaakt. Ze duiken weg, zwijgen of zetten bokkend de haren overeind. Dit onmachtige gedrag leidt tot niets, behalve tot ergernis in Washington.

Bush junior wil het karwei van zijn vader afmaken, die tijdens de Golf-oorlog van elf jaar geleden verzuimde Saddam Hussein te verwijderen. Gelet op Saddams vermogen de wereld met massavernietigingswapens te terroriseren, is Bush' wens terecht. Maar dan moet hij voortzetten wat zijn vader destijds zo honorabel begon: steun opbouwen voor zijn zaak, die ontegenzeggelijk ook de onze is.