Opzij Saddam, of we schieten

De oorlog tegen Saddam Hussein is nooit beëindigd ,en een nieuw mandaat van de Verenigde Naties is niet nodig om tegen hem ten strijde te trekken, meent Alexander Haig.

President Bush is de laatste tijd bedolven onder adviezen over Irak, dikwijls van mensen die er tot nu toe altijd honderd procent naast hebben gezeten. We zijn alweer te snel vergeten dat Saddam Hussein eens werd gezien als een verantwoordelijke leider, dat oud-president George H.W. Bush werd voorgehouden dat de Arabieren wel met hem zouden afrekenen (totdat Irak Koeweit bezette), en dat de verwachting was dat Saddam wel zou worden weggewerkt door een naamloze kolonel, zonder enig gevaar voor de Verenigde Staten. Willen we zulke blunders in de toekomst voorkomen, dan moeten we snel duidelijkheid scheppen in de opeens zo troebele situatie rondom Irak.

Drie punten zijn van wezenlijk belang. Het eerste is het oude adagium dat `loslippigheid levens kost'. In dit geval wordt er door te veel mensen in de Amerikaanse regering te veel gepraat, waarbij sommigen beweren dat dankzij nieuwe wapens en binnenlandse opstanden een oorlog op een koopje kan, en anderen gewoon tegen elk gebruik van geweld zijn. Beide schaden de vastbeslotenheid die door eerdere uitspraken van president Bush was ontstaan.

Zo'n aantasting van de discipline noodt niet alleen tot een stroom van slechte adviezen, maar – en dat is nog belangrijker – gaat ook ten koste van de Amerikaanse geloofwaardigheid in de Golf, waar de Verenigde Staten toch al niet zo'n denderende staat van dienst hebben.

Een overzicht van de gebeurtenissen uit de laatste dertig jaar, sinds we zo dom waren het veiligheidssysteem van de Engelsen in de Golf te laten verdwijnen, bewijst deze stelling: de ondermijning en val van de sjah van Iran en zijn vervanging door een agressief en fanatiek moslimbewind; de geslaagde aanval op de Amerikaanse ambassade en Amerikaanse mariniers in Beiroet, gevolgd door terugtrekking; de episode met de gijzelaars en de Iran/Contras-affaire; en de uitdagingen van Saddam Hussein na de Golfoorlog (1993, 1994, 1996, 1998), die geen van alle doelmatig werden afgestraft door de Amerikaanse militaire macht.

Helaas moet worden gezegd dat de Republikeinen en Democraten de blunders hebben gedeeld. De onafgemaakte Golfoorlog (en de huidige Amerikaanse waaghalzerij in Afghanistan) bewijst wel de slagkracht van de Verenigde Staten, maar niet de wijsheid om afdoend een einde te maken aan de bedreigingen van de Amerikaanse veiligheid en de regionale vrede. Geen wonder dat de plaatselijke leiders (die Saddam Hussein allemaal verfoeien) betwijfelen of de Verenigde Staten deze keer de klus wel zullen klaren.

Het tweede wezenlijke punt is de verwerping van de misvatting dat we eerst de Israëlisch-Palestijnse oorlog moeten oplossen voordat we iets aan Irak kunnen doen. Dat klopte al niet in 1990-'91 en is nog altijd niet waar. Wie beweert dat we eerst naar Jeruzalem moeten voordat we naar Bagdad gaan, zal in geen van beide ooit aankomen. Bush heeft al de steun van de Verenigde Staten toegezegd aan een uiterst hachelijke propositie: een veilige, democratische en vreedzame Palestijnse staat. Een geslaagde aanval op Irak zal dat vooruitzicht bepaald niet schaden. Gelooft er iemand dat het wordt bevorderd door een Saddam Hussein met een groeiend arsenaal raketten met massavernietigingswapens?

Een derde en laatste punt: de oorlog met Saddam is nooit beëindigd. Wat er ook te zeggen valt voor de aankondiging van een `preventieve militaire strategie' of de doelstelling van een `ander bewind', we hebben geen van beide nodig om een optreden tegen Irak te rechtvaardigen. De instemming van Irak dat de ontmanteling van zijn massavernietigingswapens zou worden bevestigd door internationale inspecteurs, was een wezenlijke voorwaarde voor de beëindiging van de Golfoorlog.

Sinds 1998 heeft Saddam die afspraken grof geschonden. De VN-Veiligheidsraad is eensgezind in zijn eis dat de inspecteurs moeten terugkeren, en zelfs de Arabische regeringen die openlijk gekant zijn tegen een aanval op Irak, zullen bijna in één adem de Irakezen oproepen aan de inspecties mee te werken. Zou Amerika dus besluiten naar Bagdad te gaan, dan zouden het alleen maar tegen Saddam zeggen: we dwingen het internationale mandaat af inzake uw massavernietigingswapens dat in 1991 is ingesteld en sindsdien steeds weer is bevestigd. Opzij, of u wordt vernietigd. Het alternatief is om uw wapens te vernietigen. Punt.

Een aantal voorstanders van een oorlog tegen Irak heeft voorgesteld te streven naar een nieuw mandaat van de Verenigde Naties. Natuurlijk moeten we onze bondgenoten raadplegen. Maar nieuwe resoluties van de Veiligheidsraad na de flagrante schendingen van Saddam zouden ook suggereren dat de eerdere, helder verwoorde VN-eisen irrelevant en onuitvoerbaar waren. Daarmee worden de Verenigde Naties zeker in diskrediet gebracht.

De Verenigde Staten hebben in de Golf een historisch geloofwaardigheidsprobleem, dat niet zomaar is op te lossen met retorische blabla of diplomatieke subtiliteiten. Minder praten en meer eensgezindheid, daaraan hebben we in Washington behoefte; een nuchtere presidentiële uiteenzetting – `waarom Irak en waarom nu' – gekoppeld aan de bestaande internationale eensgezindheid inzake massavernietigingswapens; en regionaal optreden dat blijk geeft van onze vastberadenheid en doelgerichtheid. In een wereld die al aan de afgrond staat, dreigen alleen maar nog grotere verschrikkingen als de Amerikaanse buitenlandse politiek – en trouwens de hele wereldorde – een land als Irak, dat plechtige afspraken schendt, toch massavernietigingswapens toestaat.

Alexander Haig was Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken, NAVO-bevelhebber en stafchef van het Witte Huis. Hij is verbonden aan Worldwide Associates Inc., een internationaal adviesbureau te Washington.

© LAT-WP Newsservice