Ooit een engel gezien?

In tegenstelling tot godsdienstwaan en bezetenheid door de duivel heeft het zien van engelen als psychotisch symptoom nooit erg veel psychiatrische belangstelling gewekt. Curieus is het verhaal van een Haarlemse huisarts die twintig jaar geleden in het nieuws kwam doordat hij zijn patiënten had gevraagd of ze ooit een engel hadden gezien. Van de 400 ondervraagden vertelden 31, soms huilend, dat ze die ervaring wel eens hadden gehad, maar meestal aan niemand hadden verteld.

In Boodschappers uit hogere sferen betoogt de Duitse sociaal-geneeskundige Ursula Bernauer dat de moderne mens die een engel ziet zich weinig gelegen laat liggen aan de bijbelse engelentraditie. Terwijl de moderne theologie de goddelijke bode het liefst in de marge plaatst, is de engel volgens Bernauer in het gat gesprongen dat is ontstaan door de afkalving van de officiële kerkelijke religie. De engel blijkt voor menig dichter, schrijver, film- of reclamemaker in onze tijd een onmisbaar motief.

In het bijbelboek Daniël verschijnen ze aan de jongelingen in de vuuroven en in Genesis als reizigers in wie de hoogbejaarde Abraham God herkent die hem de geboorte van een zoon aankondigt. Niettemin hebben engelen veel oudere papieren dan de bijbel. Volgens de Duitse theoloog Herbert Vorgrimler, die het leeuwendeel van deze schitterend geïllustreerde `cultuurgeschiedenis van de engel' voor zijn rekening nam, is de oervorm van de engel afkomstig uit Mesopotamië uit het midden van het derde millennium voor Christus. Van daaruit verspreidde het geloof in engelen zich naar Elam in het huidige Iran, en naar Assyrië en Indië, waar zij onderdeel werd van de hindoeïstische en boeddhistische religies, tot in Tibet.

En tot in Praag. Op 25 juni 1914 noteert de schrijver Franz Kafka in zijn dagboek dat hij een engel heeft gezien. Na een daglang ijsberen door zijn kamer merkt hij dat het plafond naar beneden komt zetten. Hij ziet kleuren, een arm met een zilveren zwaard, en in het halfduister een engel langzaam neerdalen in blauwachtig violette doeken, in gouden touwen gewikkeld, op grote, witte, zijig glanzende vleugels, het zwaard in zijn opgeheven arm horizontaal uitgestrekt. `Ha, een engel!', denkt Kafka, `de hele dag vliegt hij op mij af en ik in mijn ongeloof wist het niet. Nu zal hij tot mij spreken.' Na zijn blik even te hebben laten zakken kijkt hij op: de engel is er nog wel, maar het is geen levende engel meer, maar een beschilderde houten figuur van de voorsteven van een schip. Aan de engel blijkt een kaarsenhouder bevestigd. Kafka steekt een kaars aan en zit tot 's nachts onder het zwakke licht van de engel, op wiens woorden hij vergeefs blijft hopen. Of hij dit voorval met zijn dokter heeft besproken, vermeldt de historie niet.

Herbert Vorgrimler, Ursula Bernauer, Thomas Sternberg: Boodschappers uit hogere sferen. De cultuurgeschiedenis van de engel. Ingeleid door Peter Schmidt. Davidsfonds/Kok, 240 blz. E49,50