Onze broeders aan de overkant

Amerika was een land met nobele inwoners die door de Spanjaarden werden geknecht. Ze waren dus lotgenoten en bondgenoten van de Nederlanders. Aldus de historicus Benjamin Schmidt, die een reeks Amerikabeelden reconstrueerde.

`De tirannie verdrijven'. De Nederlander die deze regel nog in zijn hoofd kan laten zoemen zal onmiddellijk aan Spanje denken, of aan koning Filips II, die het vaderland zo harteloos behandelde. Niemand zal een associatie hebben met indianen. Toch moet dat in de zestiende eeuw, tijdens de Opstand tegen Spanje, wel degelijk het geval zijn geweest. Althans volgens de Amerikaanse historicus Benjamin Schmidt. In zijn academische studie Innocence Abroad behandelt hij het beeld dat de Nederlanders van Amerika hadden in de periode 1570-1670 en hij betoogt dat dit beeld, hoe wisselend ook, voortdurend een product is geweest van de politieke omstandigheden. Tijdens de Opstand werd de parallel getrokken tussen de geknechte Nederlanders en de onderdrukte, van hun land beroofde indianen. De uitmoording van Naarden, Haarlem en Zutphen werd vergeleken met de uitbuiting en vernedering die de Amerikanen ten deel waren gevallen sinds Columbus bij hen voet aan wal had gezet.

Schmidt behandelt een eeuw beeldvorming aan de hand van een indrukwekkende hoeveelheid gedrukte bronnen: vlugschriften, gedichten, kaarten, historische werken, spotprenten en allegorische grafiek en zelfs enkele schilderijen. Het is een specimen van de eigentijdse `representatiehistorie', waarbij het er niet zozeer om gaat wat er gebeurde, maar om de beelden en ideeën die men in een bepaalde periode van gebeurtenissen of personen had.

Schmidt begint met een overzicht van de vroegste informatie over de Nieuwe Wereld die de Nederlanden bereikte: geschriften van Spanjaarden, Portugezen en Italianen die Amerika hadden bezocht: reisbrieven en rapporten van Columbus zelf, van Vespucci, Cortés en vele anderen, waarin de Spaanse successen werden toegejuicht. Toch vielen er ook kritische geluiden te beluisteren waarin de twijfel aan de Spaanse acties in de Mondo nuovo doorklonk en die sympathie wekten voor de oorspronkelijke bewoners met hun navolgenswaardige `onschuldige' eigenschappen zoals gebrek aan hebzucht, een eenvoudig leven en bezitloosheid, kortom een paradijselijke cultuur die ruw verwoest werd door de Spanjaarden.

Vanaf omstreeks 1560, dus in de beginjaren van de Opstand, verandert het Amerikabeeld in Nederland van hispanofiel tot hispanofoob. De overeenkomst tussen de indianen en de Nederlanders werd een vast gegeven in de politieke propaganda, die door `de Nederlanders' onmiddellijk begrepen werd. De katholieke Spanjaarden zijn tirannen, moordenaars en onbetrouwbare despoten zowel in Amerika als in Nederland. Zo lezen we in een verhandeling uit 1587 dat de Spanjaarden zelf verhalen `van hare Indische handelingen' en daarin openlijk beschrijven `vele millioenen menschen vermoort te hebben die hen noyt vergrampt oft yet misdaen hadden'.

Wonderen

Deze stelling, die Schmidt er bij de lezer inhamert, krijgt een draai wanneer hij de periode bereikt waarin de Nederlanders ook werkelijk voet aan wal zetten in Amerika, kort voor 1600. Amerika werd nu in de ogen der Nederlanders een continent van `wonderen'. De nadruk kwam te liggen op het vreemde, het andere, het exotische. Er verschijnen prenten met in Europa nooit vertoonde planten en dieren. De Nederlander wordt geconfronteerd met de armadillo (schubdier), de miereneter en de lama, maar ook met de tabaksplant en dat alles tegen de achtergrond van fascinerende landschappen.

Aan deze periode van het wonderlijke Amerika komt weer een eind wanneer de Nederlanders zich daadwerkelijk in Amerika vestigen. In twee gebieden hadden ze in een relatief korte periode succes. In Brazilië tussen 1630 en 1654 en in Nieuw Nederland (het huidige New York en omgeving) van ongeveer 1624 tot 1664. (Guiana en de Caraïben speelden volgens Schmidt in deze periode geen rol in het beeld van Amerika). Het beeld verandert opnieuw.

Er volgde een ontnuchtering. Niet alleen blijken de indianen helemaal geen zin te hebben in een verbond, ze zijn bij nader inzien ook niet zo nobel. Ze houden er maar vreemde gedachten over eigendom en over afspraken op na. Daar kwam nog bij dat de Nederlanders zelf misschien wel helemaal niet zo'n hoogstaand moreel besef hadden. De economische motieven om zich in die verre landen te vestigen ontketenden kwade sentimenten. Hoewel het in Brazilië om triviale zaken ging als suiker en in Nieuw Nederland om bevervellen zou er in Nederland een immense morele verontwaardiging zijn ontstaan die de Nederlanders afschilderden als hebzuchtige kolonisatoren. Een dilemma was dat er tegelijkertijd kolonisten aangetrokken moesten worden en die kwamen alleen af op de paradijselijke mogelijkheden die er in Noord- en Zuid-Amerika zouden liggen. Het was daar aan de Hudson en aan de Rio Grande, zo werd hun voorgespiegeld, een land van `melk en honing', met wijngaarden, wild, zalm en brasem, het kon niet op.

Toen Brazilië verloren was gegaan aan de Portugezen en Nieuw Nederland aan de Engelsen, brak een vierde fase in de beeldvorming aan. De politieke omstandigheden waren inmiddels gewijzigd. Na de Vrede van Munster van 1648 onderhield Nederland goede relaties met Spanje. Niet langer werden Spanjaarden als wrede uitbuiters getypeerd, nu waren de Engelsen en de Fransen de kwaaie pier. Ze werden opgevoerd als vervaarlijke onderdrukkers. In de praktijk maakten, aldus Schmidt, de Nederlanders zich niet meer zo druk om Amerika. Het bleef een ver continent. Men werd hier hooguit geconfronteerd met een Braziliaans landschap, geschilderd door Frans Post, of met een indiaanse curiositeit in een rariteitenkabinet. Daar kon je nog wel eens een Mohawkknots zien, een verentooi of een snoertje wampun.

Innocence Abroad is een geleerd, overvol en apodictisch boek. Schmidt snijdt een interessant en niet eerder zo grondig onderzocht thema aan, waarbij hij de ontwikkeling van de Amerikabeelden telkens in de politieke en economische context zet. Hij verzet zich tegen de these van een van de grote Amerikaanse historici van de vroegmoderne tijd, John Elliott, die van mening is dat Amerika slechts marginaal van invloed is geweest op het Europese denken in de vroegmoderne tijd. Dat verzet heeft bij Schmidt onwaarschijnlijke proporties aangenomen. Zijn proza is een spervuur van argumenten, een 400 pagina's durende barrage van overladen zinnen.

Die stellige toon noopt tot een aantal vragen. Over wiens Amerikabeeld heeft hij het eigenlijk? Welke bronnen gebruikt hij en hoe beoordeelt hij die? Is die periodisering wel zo absoluut? En is het mogelijk dat elke Nederlander in elk van die periodes zo dacht als Schmidt denkt dat ze dachten? Schmidt heeft het over de beeldvorming van `de Nederlanders'. Maar het is onwaarschijnijk dat al die Nederlanders ook al die pamfletten, schotschriften, historische werken en gedichten gelezen hebben. Minder dan de helft van de bevolking kon lezen, en onder hen waren ook nog eens Spaansgezinden, die allerminst geneigd waren zichzelf met indianen te vergelijken.

Vogelvrijverklaring

Het kan onmogelijk een homogene reeks Amerikabeelden zijn geweest die zich in die Nederlandse hoofden heeft vastgezet. Daar komt nog bij dat Schmidt zijn bronnen over een kam scheert, alsof het gelijkwaardige informatiedragers zijn met eenzelfde effect. Sommige pamfletten en traktaten werden herhaaldelijk herdrukt en vertaald en zullen effect op de meningsvorming hebben gehad. Dat is het geval met de Apologie van Willem van Oranje, waarin volgens Schmidt de Amerika/Nederland-topos werd gecodificeerd. Dit beroemde traktaat, waarin Willem van Oranje reageert op zijn vogelvrijverklaring, werd in twintig jaar zeker zestien maal herdrukt en velen hebben er kennis van kunnen nemen.

Dat soort teksten heeft zonder twijfel een groot publiek bereikt en dat geldt ook voor ander propagandadrukwerk. Maar hoe zit het met ingewikkelde allegorische gravures van Amerika? Of met een prent waarop we Amerika in amazonezit zien voortrijden op een grote armadillo met daaronder een vers in het Latijn? Schilderijen hingen in privé-vertrekken en werden maar door een paar mensen bekeken. Hetzelfde gold voor rariteitenkabinetten. Dit soort privé-musea waren niet openbaar. Wie toegang kreeg kon inderdaad Americana bekijken, maar de indiaanse artefacten waren schaars en haalden het in kwantiteit niet bij de etnografica uit de Oost.

Schmidt heeft een formidabele hoeveelheid bronnen bestudeerd, maar is uiterst selectief te werk gegaan. Hij lichtte er juist die passages uit, of koos die beelden die in zijn periodisering pasten. Het beeld dat volgens hem van de Amerikanen werd geschetst is dat `not of a savage Other, but of a sympathetic partner and potential brother-in-arms'. Hoe valt dat te rijmen met de vele prenten van mensenoffers en kannibalen in de Nieuwe Wereld?

Schmidt moet dan ook weinig werk hebben gemaakt van de uiterst populaire platenboeken die vanaf 1590 op de markt kwamen: de serie van het uitgevershuis De Bry. Op de platen in het deel America zien we in detail hoe de indianen mensen in stukken hakken en het vuur nog eens oppoken om handen, voeten of hele rompen te roosteren. De vermeende `innocence' en het mooie, onbedorven exotische van de Nieuwe Wereld en zijn bewoners zijn hier ver te zoeken.

Schmidt heeft in zijn rijke, overvolle studie overtuigend een reeks Amerika-beelden gereconstrueerd, maar over de representativiteit en de dominantie ervan blijft hij vele antwoorden schuldig.

Benjamin Schmidt: Innocence Abroad. The Dutch Imagination and the New World, 1570-1670. Cambridge University Press, 450 blz. E64,40