Nom d'un nom: le nom

Zou het niet veel beter zijn voor Nederland en zijn kattenbevolking als Hare Majesteit, in plaats van Haar tijd te verdoen met het luisteren naar allerlei politieke tinnegieters, mij zou benoemen tot Koninklijk Censor voor de Kattennamen? Veel onnodig leed zou worden voorkomen.

Ik heb al langer belangstelling voor kattennamen. Een jaar lang noteerde ik in een schrift alle kattennamen die ik tegenkwam en als ik het nu doorblader, zie ik dat een harde hand vereist is. Veel namen zijn, eerlijk is eerlijk, onschuldig en aanvaardbaar. Gewone Hollandse namen: Kees, Mies, Koosje, Willem, Trui, Jan, Klaas. Ook, mits het geen bende wordt, namen die het uiterlijk van de kat beschrijven: Pluisje, Moortje, Flapje, Rooie, Sokjes, Bianca, Grijsje. De ellende begint met de zogeheten lollige namen, bedacht door kinderen en studenten.

Kinderen houden van nonsensnamen en dus moet de onfortuinlijke kat door het leven als Olliebollierolliemollie, Spuugzat en Walstreep. Nog bonter maakt het de studerende jongelingschap, die een naam voor poes uit zijn lectuur opvist: ik noteerde Freud, Lenin, Elvis, Mao, Adolf, Kuifje, Madonna en tweemaal Wittgenstein.

Vrijwel niemand beseft dat zulke namen getuigen van groot gebrek aan respect voor de kat. Bovendien heeft dit soort mensen nooit een blik geslagen in Stekel's Die Verpflichtungen des Namens. Een kattennaam is van het hoogste gewicht; moet recht doen aan de persoonlijkheid van de drager, en dient met de grootste zorg en liefde te worden ontdekt. Dit blijkt uit de casus van Hebbes.

Hebbes kwam in huis als een nietig rood katertje. Braaf, aanhankelijk en speels – maar een naam wist ik niet te vinden. Niets paste. Nu bleek hij buitengewoon enthousiast over het spelletje Doelman. Ik wapende mijzelf met een stuk plastic buis en een broekzak vol propjes. Tikte ik met de buis op de grond dan nam hij de eerste positie in: platgedrukt op vloer of tafelblad. Ik vuurde en hij griste met grote vlugheid het propje uit de lucht en bleek daar buitengewoon handig in. Wij slopen, al schietend en springend door huis en tuin; ik probeerde allerlei verrassingsschoten en hij kreeg zijn mannetje altijd te pakken. Maar hoe heette hij?

Op een dag plaatste ik een zeer geniepig schot, met een groot verrassingselement en vanuit een onverwachte hoek.

Niettemin miste hij ook nu niet. ,,Hebbes!'', riep ik spontaan. Ik kreeg een zware, wie weet teleologische schok en het werd me zwart voor de ogen. Het Kosmische Wiel was een slag gedraaid – Hebbes had zijn naam gevonden.

Hij ontwikkelde zich tot een sullig, vreedzaam dier. Geen atoomgeleerde, maar ook geen dief of vechtersbaas. Het liefst zat hij in de vensterbank te mediteren, of op schoot te snorren.

Ik legde me erbij neer dat de eeuw niet naar hem vernoemd zou worden. Een fijne kat, maar een beetje een domoor, dacht ik.

Maar voor iedereen komt er een moment dat hij het noodlot bij de strot kan grijpen en dat moment kwam ook voor hem. De Poezenkrant organiseerde een wedstrijd voor kattennamen en zonder zijn medeweten, schreef ik hem in.

En laat hij nu winnen! De eerste prijs ging naar Hebbes! Boven alle katten van Nederland uitverkoren, met naam en adres in De Poezenkrant! Zeker was hij in duizenden huishoudens het gesprek van de dag! Ik had het tijdschrift altijd bij me, en placht onbekenden op straat bij de arm te grijpen en met bronzen stem het juryrapport voor te lezen. Voor Hebbes kocht ik zalm, echte, niet die plastic narigheid uit de supermarkt.

Ach, mijn Hebbes! Nooit rees zijn ster hoger en nooit schitterde zij feller. Nog lang genoot de laureaat van een otium cum dignitate. Tenslotte stierf hij, tot het einde toe goedgemutst.

Ik wilde hem begraven onder een bed viooltjes, en niet zonder wijding. Maar de clerus toonde zich nogal benepen. Elke dominee, pastoor of imam die ik opbelde, vertikte het een dienst te houden en er werd zelfs hardop aan mijn geestelijke gezondheid getwijfeld! Tenslotte vond ik de Archimandriet van Pamphylie bereid de toepasselijke gebeden te zeggen en Hebbes' laatste rustplaats te wijden.

Ik was zeer treurig maar de geestelijke troostte mij. Hebbes verscheen voor Gods Rechtertroon immers met een blanco strafblad? Nooit bedroog hij zijn zakenpartners, nooit buitte hij de arme kindertjes in India uit, nooit sjoemelde hij met de belasting. Ik mocht gerust zijn: op de Oordeelsdag zouden de paarlen poorten zich voor Hebbes openen, en hij zou wandelen door de gouden straten. Zijn naam, de naam Hebbes, zou genoteerd staan in het Boek van het Lam. En hijzelf zou het zich, snorrend, gemakkelijk maken in de schoot van de Almachtige. Zou de Archimandriet, zou ik, zou u hetzelfde mogen verwachten? We shall see!