Likkebaarden bij hakjes en parfum

Op het eerste gezicht is het een wat zielig, oud meisje dat Maarten 't Hart opvoert in zijn dertiende roman, De zonnewijzer. Begin veertig, gescheiden, ongewenst kinderloos, zich bedruipend van een karig inkomen als vertaalster en invallerares. Woonplaats: Leiden. Kind noch kraai heeft ze, maar wel drie poezen om voor te zorgen sinds de onverwachte dood van haar beste vriendin, een taak die zij serieus opvat. Voeg bij dit alles het `ietwat dociele' karakter dat ze naar eigen zeggen heeft en er rijst een muisgrijze heldin op van wie niet veel spektakel te verwachten lijkt.

Maar dan kent men Maarten 't Hart nog niet. Er valt genoeg over zijn verhalen en beschouwingen te zeggen, maar niet dat ze saai zijn. De zonnewijzer is een uiterst levendige, maar ook nogal overdadig gestileerde roman, waarin de dingen liever dubbel worden benoemd dan met een enkel woord. `Binnenkort moest ik onverwijld naar de kapper', laat hij zijn hoofdpersoon Leonie in het eerste hoofdstuk met overdreven nadruk opmerken, alsof wij anders de noodzaak van het kappersbezoek niet zouden inzien. Leonie – die wij al kenden uit De kroongetuige (1983), waar zij nog getrouwd was en hoopte op een kind door middel van in-vitro-fertilisatie, vergeefs naar nu blijkt – raakt al snel verzeild in een reeks spannende avonturen, want De zonnewijzer is een heuse thriller, compleet met moord en moordaanslag. Zij gaat op onderzoek uit omdat ze niet gelooft dat haar vriendin Roos aan een zonnesteek is overleden, zoals de officiële diagnose luidt. Tijdens haar zoektocht komt ze met uiteenlopende, kleurrijke figuren in aanraking, want Roos ging niet alleen om met collega's van het laboratorium waar zij als analiste werkte, maar blijkt ook aan SM te hebben gedaan. Naar de ontknoping wordt mooi toegewerkt, al is de uitkomst niet helemaal bevredigend, want net iets te onvoorspelbaar.

Iets wat Leonie haast nog meer bezig houdt dan de moord op Roos, is haar eigen identiteit. Ze is niet tevreden met zichzelf en vooral niet met haar onverwerkte kinderloosheid. Ze zou wel van zichzelf afwillen, zogezegd. Dankbaar treedt ze dan ook in de voetsporen van haar bewonderde vriendin, die haar hele bezit aan haar heeft nagelaten, onder voorwaarde dat ze als een tweede Roos voor de poezen zal zorgen. Leonie betrekt de flat van Roos, gaat haar kleren dragen en probeert er zo identiek mogelijk uit te zien: zelfde kapsel, zelfde make-up en parfum, zelfde valse nagels en wimpers. Aan dit imiteergedrag ligt de naïeve gedachte ten grondslag dat de betreurde vriendin minder dood is als er een dubbelganger van haar rondloopt. `Kon ik haar oproepen, in haar huid kruipen, dan was ze niet definitief dood, hoogstens voorlopig, dan kon ze weer tot leven komen.' En passant hoopt Leonie zo van haar grote verdriet af te komen, want Roos wilde geen kinderen.

Een eigenaardige vrouw is Leonie intussen wel. Geen vrouw uit één stuk, maar een dubbelwezen, met supervrouwelijke en hoekig mannelijke kanten, een alter ego van 't Hart dus eigenlijk, die op haar nette pumps niet zozeer trippelt, maar `oprukt', zoals het ergens heet. In andere hoofdstukken is sprake van `stekkeren' en `banjeren'.

Haar vrouwelijke kant wordt likkebaardend door 't Hart beschreven. Geen detail blijft ons bespaard. Alles zullen we weten over fluorescerende nagellak, over de lijm waarmee oorbellen blijkbaar dienen vastgeplakt, over de juiste manier om panty's aan te doen of over de kilo's die Leonie moet afvallen om in deze strakke body of dat snoezige pakje te passen. Zelfs tijdens de crematieplechtigheid van haar vriendin, waar zij `overrompeld' zou zijn door `asgrauwe moedeloosheid' en `verschroeiende mismoedigheid' – ietwat ongelukkige beelden in dit verband – is Leonie zich voortdurend bewust van haar uiterlijk. Als de zon ineens doorbreekt, dan heet het aanstellerig: `Ik liep voor gek met mijn zwarte paraplu'.

Dwars door die tuttigheid heen steekt regelmatig een veel weerbarstiger en minder behaagziek personage de kop op. Deze tegenvoeter is veel chagrijniger en gromt wel eens, schudt het wijze hoofd over drugshandel, auto's en files, blijkt een kenner van bijzondere boeken en muziekstukken, geeft af op ongezond, cholesterolrijk restaurantvoedsel en maakt snerende opmerkingen over het huwelijk.

De zonnewijzer vormt een wat tweeslachtig geheel van damesroman en koele detective. Het boek is ondeugend, maar ook rechtschapen, tuttig, maar ook stoer. Ook in de stijl dringt zich die tweeslachtigheid op. Overwegend wordt de taal van de gewone man gesproken, maar soms schiet er ineens boekentaal doorheen, zoals `geapprouveerd', `stranguleren' of `proliferatie'. Gevloek en getier wordt soms abrupt afgewisseld met psalmgezang.

Het is moeilijk te zeggen waar zich de kern van deze roman bevindt. In de gedachte dat een nette laborante zich kan ontpoppen tot SM-meesteres, of een stoere bouwvakker tot seksslaaf? Wil 't Hart duidelijk maken dat je een vriendin pas na haar dood kunt leren kennen? Of wil hij laten zien dat je een ander mens kunt worden, met andere noden en behoeften, als je andermans kleren aandoet?

Uitsluitsel geeft hij over bijna niets. Duidelijk wordt wel wie de moord heeft gepleegd en waarom, maar niet of die dader ook berecht zal worden. Hoe het verder moet met Leonie, is ongewis. Toch blijft de lezer niet helemaal met lege handen achter. Wat mij althans wel enigszins verzoent met deze onevenwichtige roman waarin naar hartelust met identiteiten wordt gegoocheld, zijn de vele aantrekkelijke bijfiguren die 't Hart ook nu weer op de been heeft weten te brengen. Ze mogen met elkaar een tamelijk onthecht soort conversatie voeren, waarin Hollandse nuchterheid en koppige eigengereidheid om de voorrang strijden.

Vooral zal De zonnewijzer mij bijblijven als de roman van Freek de bouwvakker met de grote mond en het kleine hartje. Hij roept om de haverklap `potverpiel' en geeft soms erg geestig lucht aan zijn onuitputtelijke gramschap. Hij is kwaad op de overheid vanwege `die stronteuro', hij is kwaad op zijn vader die maar niet dood wil, `die misselijke schriep', op zijn twee ex-en die hem het vel over de oren halen, en op de instantie die heeft bepaald dat stagiaires per maand een vergoeding krijgen waar je `nog geen woestijnmuis van kunt houden'. En toch blaakt deze malle kankerpit van levenslust, net als al die andere Hollandse meisjes en jongens van 't Hart, of ze nu oud zijn of jong, getrouwd of ongetrouwd, of ze nu `broekenmannetjes' hebben of een onvervulde kinderwens.

Maarten 't Hart: De zonnewijzer. De Arbeiderspers. 256 blz. E17,95 (pbk), E23,95 (geb)