Hongaren ruziën twaalf jaar na dato over wie fout was

Twaalf jaar na de val van het communisme ruziën de Hongaren nog steeds – of: wéér – over de vraag wie ooit fout was en wie niet.

Systeemwisselingen trekken lange, ondoorzichtige draden. Hoe langer geleden, hoe moeilijker te ontwarren. Met de vrije verkiezingen van 1990 zette Hongarije formeel een punt achter het communisme. Twaalf jaar later is de vraag nummer één nog steeds – of liever: wéér – wie zijn ziel in de donkere jaren van het communisme aan de duivel heeft verkocht.

Het dagblad Magyar Hírlap publiceerde zaterdag een lijst van elf politici die in het communistische verleden voor één van de geheime diensten zouden hebben gewerkt en die na 1990 regeringsposities hebben bekleed. Ze stonden met naam, toenaam én foto vermeld.

De jongste spionnenepisode begon vlak na de parlementsverkiezingen waarbij de socialisten (voormalige communisten) de rechtse regeringspartijen nipt versloegen. Kort daarop kwam het rechtse blad Magyar Nemzet met de onthulling dat Péter Medgyessy, de nieuwe premier, op de loonlijst van de communistische contraspionage had gestaan. De klap kwam hard aan. De rechtse oppositie leek gelijk te krijgen dat alle tegenwoordige socialisten `verklede communisten' zouden zijn. De nieuwe premier gaf aarzelend toe dat hij inderdaad op de loonlijst van de geheime dienst had gestaan. Maar er zou een reden zijn geweest: Medgyessy werkte voor de afdeling buitenland van de geheime dienst in de tijd dat Hongarije in het diepste geheim en tegen de zin van Moskou toenadering zocht – en vond – tot het Internationale Monetaire Fonds. Het zou geen verraad zijn geweest, maar juist oprecht patriottisme.

De rechtse oppositie nam daar geen genoegen mee. Medgyessy moest meer op zijn kerfstok hebben. Na felle debatten besloot het parlement twee commissies in te stellen: één om Medgyessy onder ede te horen, en één om álle politici tegen het licht te houden die sinds de val van het communisme een regeringsfunctie bezetten of hebben bezet. Medgyessy liet zich openbaar verhoren. De commissie wist hem niet te betrappen op onwaarheden en het boek werd voorlopig gesloten, al wil de oppositie er later dit jaar nog op terugkomen.

In de tweede commissie onder leiding van de zeer gerespecteerde liberaal Imre Mécs was het al vrij snel mis. De archieven van de staatsveiligheidsdienst, van Binnenlandse Zaken en Defensie leverden de nodige verrassingen op. Mécs liet doorschemeren dat rechtse politici actiever waren geweest in het verraden en verklikken dan linkse. De parlementaire commissie spatte uit elkaar.

Rechts liep weg uit protest tegen de manier waarop Mécs met de gegevens om wilde gaan. Hij wilde het onderzoek afsluiten met een rapport waarin de besmette politici met naam en toenaam zouden worden vermeld. Rechts beriep zich op het recht op privacy voor de verdachten, zei de samenwerking op en verklaarde de commissie Mécs onrechtmatig.

Intussen waren er allerlei namen gaan rondzingen. Zsigmond Járai, ooit veelbelovend bankier bij de ABN AMRO in Boedapest, later minister van Financiën en nu directeur van de nationale bank, was er één. Een andere was Imre Boros, tot mei van dit jaar beheerder van de Phare fondsen die de Europese Commissie jaarlijks naar kandidaat-lid Hongarije stuurde. Zelfs de naam van János Martonyi, minister van Buitenlandse Zaken in de regering Orbán werd genoemd.

Terwijl de commissie-Mécs steeds verder verstrikt dreigde te raken in de vraag of publiceren van de namen nu wel of niet kon, hakte Magyar Hírlap de knoop door. Zaterdag stond het allemaal zwart op wit in de krant. Mécs was razend. Hij had alles volgens het boekje willen doen om iedere verdere twijfel te voorkomen.

Járai, directeur van de nationale bank, heeft inmiddels toegegeven dat hij voor het ministerie van Binnenlandse Zaken indertijd verslagen schreef van zijn buitenlandse reizen. Boros vecht voor zijn politieke leven. Hij ontkent ooit in dienst te zijn geweest van de staatsveiligheidsdienst. Hij zou alleen `geklikt' hebben omdat hij gechanteerd werd in een fraudekwestie. Zijn partij, het Hongaarse Democratisch Forum (MDF) heeft inmiddels het vertrouwen in hem opgezegd. Ex-minister Martonyi, van huis uit advocaat, ontkent in alle toonaarden dat hij ooit rapporten geschreven heeft of iets getekend. Hij beraadt zich op verdere stappen. Eén van de door Magyar Hírlap genoemde oud-ministers – lid van het kabinet-Orbán – is inmiddels door Mécs vrijgepleit.

Het Hongaarse publiek lijkt er niet erg mee te zitten dat de premier ooit op de loonlijst van de geheime dienst stond. De heksenjacht zegt de gewone Hongaar weinig, zo blijkt uit opiniepeilingen. De steun voor de linkse regering steeg van 49 naar 53 procent, conservatief rechts zakte van 44 naar 39 procent. De regering-Medgyessy kan met een gerust hart aan zijn tweede honderd dagen beginnen.