Hoezo belangwekkend?

Het Theaterfestival zou het beste toneel van het afgelopen seizoen laten zien, maar het wordt steeds ontoegankelijker. En Vlamingen hebben geen gevoel voor humor.

Wie denkt nog wel eens: `Hoera het Theaterfestival is begonnen'? Tot 15 september zijn in Amsterdam en Brussel de beste Nederlandse en Vlaamse toneelstukken van het afgelopen seizoen te zien. De beste toneelstukken? Dat valt te bezien. Gemodelleerd naar het Berlijnse festival Theatertreffen kiest een vakjury deze grootste hits voor ons uit. Maar die jury slaagt er steeds minder in om tot een goede selectie te komen, en het Theaterfestival boet ernstig aan gezag in.

De selectie van dit jaar is hoogst merkwaardig, onevenwichtig en op geen enkele manier een doorsnee van de beste voorstellingen van dit seizoen. Van de tien geselecteerde voorstellingen komen er zes uit België. Van de vier Nederlandse komen er drie van ZT Hollandia, alsof dat de enige groep is die goede voorstellingen heeft gemaakt. De Vlaamse voorstellingen zijn bovendien van één soort: klein, obscuur en ontoegankelijk ogend. Ze zijn bovendien nauwelijks in Nederland te zien geweest.

Het Vlaamse aandeel overheerst volgens mij doordat de meeste juryleden Vlaams zijn, dit jaar vijf tegen drie. Als ex-jurylid (2000-2001) heb ik de indruk dat de Belgen meer op eigen volk stemmen en de rijen daarin beter gesloten houden dan de Nederlanders, die hopeloos verdeeld zijn. Daarbij komt dat de Vlaamse smaak nogal verschilt van de Nederlandse, en de twee theaterwerelden steeds verder uiteen drijven. In Nederland is nog slechts mondjesmaat Vlaams theater te zien, in Vlaanderen komen nog nauwelijks Nederlandse toneelgroepen.

Waar Nederlandse groepen vaak trachten met humor, luchtig spel en directe taal de toegankelijkheid te vergroten, gaat het Vlaamse theater de andere kant op. De Vlamingen in de jury, vaak met een dramaturgische achtergrond, houden van dramaturgentheater, waarin de kwaliteit ligt in de filosofie áchter de voorstelling. Gechargeerd gezegd: de doorwrochte verantwoording in het programmaboek is belangrijker dan de voorstelling zelf. Voorstellingen worden ontoegankelijk gemaakt voor leken, bijvoorbeeld door ze een dwarse titel te geven. Zo heet Luk Percevals bewerking van King Lear niet gewoon Koning Lear maar L. King of Pain. Stan/De Koe geeft zijn voorstelling de monsterlijke titel: Vandeneedevandeschrijvervandekoningendiderot.

Verder blijkt dat Vlamingen houden van taalexperimenten. Dat geeft problemen voor de Nederlandse toeschouwers die toch al moeite hebben met het Vlaams. In L. King of Pain wordt een zelfverzonnen `Europees' gesproken, een mengeling van Vlaams, Frans en Duits. De selectie van het Engels gesproken Images of Affection is zelfs tegen de regels: Nederlands dient de voertaal te zijn op het Theaterfestival. In Vive L'Afrique is de actrice nauwelijks te verstaan. In De Krippel wordt een samengesteld Vlaams dialect gesproken. Toen de voorstelling, zeer kort, in Amsterdam was te zien, zaten de Nederlanders in de zaal wanhopig hun oren bij te stellen. De verklarende woordenlijst op schoot bood weinig houvast.

`Typisch Nederlands'

Toen ik nog zelf in de jury zat, heb ik één keer meegemaakt dat de vier Nederlanders ook eens en bloc stemden, voor een Hollands product: Conijn van Olland van Orkater. Deze ontroerende eensgezindheid werd echter tenietgedaan door de overmacht van zes Belgen tegenover ons, die de voorstelling en bloc waardeloos vonden. Ze vonden hem `typisch Nederlands'.

Belgen, zo bleek, hebben niet alleen een voorkeur voor eigen waar, ze hebben ook een uitgesproken afkeer van wat ik nu juist mooi vind. En het erge is dat ze hierin door veel Nederlandse collega's gesteund worden. Als ik naar mijn eigen top tien van dit jaar kijk, dan staan daar enkele `typisch Nederlandse' groepen in die nooit tot het Theaterfestival zullen doordringen: Orkater, Carver, Alex d'Electrique. De vakgenoten kunnen er niet mee lachen, de speelsheid en humor zien ze aan voor platheid.

Dirk Tanghe, nota bene zelf een Belg, heeft dit jaar twee schitterende voorstellingen gemaakt: Jean, Julie et Christine en Midsummernightsdream (Equus valt buiten de beoordeelde periode) die door de jury zijn genegeerd. Tanghe, vroeger wel welkom op het festival, gaat blijkbaar een gevaarlijke kant op: die van het aantrekkelijke, toegankelijke theater. En dat kan in de ogen van de jury natuurlijk nooit `belangwekkend' zijn.

In het vakblad TM (voorheen heette dat gewoon de Theatermaker) deed criticus Pieter Bots onlangs enkele aanbevelingen om de selectie te verbeteren, die ik onderschrijf. Volgens hem is de keuze te veel een optelsom van eigen voorkeuren van de juryleden. Hij raadt aan om drie juryleden te nemen in plaats van negen, om eenvormigheid en evenwicht te waarborgen. Ook vindt hij, net als ik, dat we eindelijk de droevige scheiding van 1830 eens moeten accepteren. Er moet een aparte Vlaamse jury komen die een eigen programma maakt.

Helemaal uit de problemen ben je dan nog niet. Hoofdprobleem is dat vakjuryleden graag hun vooruitstrevendheid en eigenzinnigheid willen bewijzen met een `avontuurlijk' programma. Gewoon de tien beste voorstellingen selecteren vinden ze te min. Er zou een waarborg moeten komen dat de selectie een doorsnee van het seizoen is; door bijvoorbeeld categorieën in te voeren: grote- en kleine zaal, toneel voor groot publiek en voor experimenteel theater.

Wat dat betreft blijft Bots te veel vasthouden aan het vervloekte criterium `belangwekkend'. Dit criterium zorgt ervoor dat een voorstelling die heel goed is, toch niet mag meedoen omdat zij niet `vernieuwend' genoeg is – wat dat ook moge zijn – en daarom niet `bijdraagt aan de ontwikkeling van het theaterklimaat'. Het criterium is een machtsmiddel voor beroepskijkers die in het wijdverspreide waanidee geloven dat er zoiets als vooruitgang in de kunst bestaat. Ontwikkeling in de kunst bestaat wel, maar niet per se de goede of de slechte kant op. `Vernieuwing' is een lege kwaliteit. Er bestaan slechts twee soorten theater: goed theater en slecht theater.

Waanwereld

De selectie van de jury is ook onevenwichtig omdat het uit zo'n beroerd seizoen moeilijk kiezen was. De beroepskijkers zijn murw geslagen door de vele vergooide toneelavonden. Maar ieder verregend seizoen kent wel een paar mooie dagen, en de ware liefhebber onthoudt juist die.

Ik koester de dag dat ik Wie is er bang voor Virgina Woolf? zag, in de regie van Lodewijk de Boer, met Edwin de Vries en Wil van Kralingen in de hoofdrollen. In een ook voor de kijkers uitputtende en indringende lange sessie maakten ze elkaar af, zoals zoveel stellen vóór hen. Maar ze maakten ook iets nieuws duidelijk: niet het kapotmaken is de essentie, maar juist de liefde tussen de twee echtelieden. Ze kunnen niet zonder elkaar, en juist nu de laatste illusie is gesneuveld, kunnen ze samen verder leven.

De Bellevue lunchvoorstelling Nu even niet is een ouderwets acteursstuk. Dramaschrijfster Maria Goos schreef het voor vier mannen die ze kent van de Toneelacademie Maastricht. Vier vrienden komen maandelijks bijeen om samen te eten. Ze zitten op een draaischijf zodat het publiek ze van alle kanten kan bekijken. De acteerprestaties waren wat wisselvallig, de plot ontvouwde zich niet opzienbarend, maar Goos wist te raken – een kwaliteit die voor de festivaljury geen enkele rol speelt. Ook Bezet gebied van Alex d'Electrique en Prefab Four van Orkater draaiden om mannenclubs. Zielige, pathetische mannen, maar ook herkenbare en vertederende mannen.

Als ik kijk naar wat ik mooi vond dit seizoen, zit er veel theater bij dat met kinderlijk enthousiasme is gemaakt. Wederom merk ik hoe weinig het me interesseert of het theaterklimaat vooruit wordt geholpen, en of theater wel iets zegt over de maatschappij. Ik val terug op mijn primaire gevoelens: moest ik lachen, werd ik geroerd? Werd ik geraakt door het menselijk leed dat ik zag? Is een bepaald personage me levendig bijgebleven? Of ik wel lang en hard genoeg heb gepeinsd over de psychologie, de filosofie, de politieke inhoud van een voorstelling, doet er niet zoveel toe. Het nadenken speelt geen grote rol.

Vooral beelden zijn me bijgebleven, meer dan de taal. De wervelende tutu's prachtig uitgelicht in Midsummernighstdream. De met knipperende fietslichtjes behangen portier van een mislukte pornotent in Bezet gebied. René van 't Hof die in Pi, Po, Pu, Pa, en Pé als een muis het podium over trippelt, schichtig om zich heen loerend. Hij ontroert omdat hij zo perfect een muis nadoet, maar ook omdat hij tegelijkertijd een zenuwachtig mannetje blijft, een allochtoon die niet welkom is in dit rijke huis.

Het Theaterfestival vindt plaats van 28 aug. t/m 8 sept. in Brussel (Kaaitheater, tel. 00 32 02 2015959) en van 5 t/m 15 sept. in Amsterdam (Stadsschouwburg en Bellevue, tel. 020-624231). Inl. www.theaterfestival.nl

Deugt de selectie van het Theaterfestival wel of niet? Discussie: www.nrc.nl