Hilarisch

Alsof het uit de sarcofaag van Toetanchamon was gekomen. Ik rook het al toen ik de envelop had geopend. Papier, zó oud dat het tussen je vingers leek te verpulveren. Voorzichtig trok ik het verder in het daglicht. Het was een exemplaar van ALLES MAG, DAGBLAD TER VERBREIDING VAN HET WANTROUWEN. Op de voorpagina staat dat dit het eerste nummer is. ,,Verschijnt ongerelmatig en wordt met tegenzin uitgegeven door De Bezige Bij.'' Nog voorzichtiger dan ik het had aangepakt, begon ik te lezen. Het opent met een bijdrage van Simon Carmiggelt: Op zij. op zij, want ik mag alles. Die middag, na de oprichtingsvergadering komt hij thuis, `hoekiger dan anders'. Zegt tegen zijn vrouw: ,,Het is voor elkaar. Er komt een nieuw blad, Alles mag. We gaan allemaal een fel stuk schrijven. Er komen alleen stukken in die de gewone kranten nooit zouden durven opnemen. Dwars tegen alles in. We gaan de hele rotzooi aanvallen!'' Zijn vrouw spreekt hem kalmerend toe. Ten slotte stelt ze voor dat hij gewoon begint, met het opvoeren van een oud mannetje in de kroeg, en dat hij dat mannetje dan een paar keer godverdomme laat zeggen. ,,Maar dat verdom ik.'' Einde verhaal.

Dan komen er onder meer een beschouwing van Adriaan Morriën over de superioriteit van de bil, vergeleken met het hoofd (,,De bil is een edel lichaamsdeel, een rijkaard, een zuidvrucht.''); een surrealistisch verhaal van J.A. Blokker; een aanval op de huisarts van W.F. Hermans (,,Met neergeslagen blik treedt de patiënt binnen bij zijn redder die in een kasboek zit te schrijven.''); korte verhalen van Remco Campert en Frits van der Molen, en een stuk of wat cartoons en gedichten. Ik citeer uit het sonnet van J.B. Charles, die na jaren terugkeert in zijn oude schoollokaal. Aan de muur hangt een schoolplaat met Karel de Vijfde, op de Rijksdag te Worms.

`Haha, denk ik, jij zult hier eeuwig moeten blijven!

En ik voldoe mijn schuld: voordat ik ga neem ik het krijt

om fraai in dik en dun het Woord op `t bord te schrijven.'

ALLES MAG heeft geen jaartal. Eerst dacht ik: eind jaren vijftig, begin zestig. Maar bij Carmiggelt staat Joseph McCarthy op de nominatie om te worden aangevallen. McCarthy heeft in het begin van de jaren vijftig furore gemaakt. De uitgeverij wist het nog: 1954. Ja, dat komt uit de sarcofaag van het satirisch verzet.

Niet iedereen zal anno 2002 kunnen vermoeden welk Woord door J.B.Charles in zijn klaslokaal van weleer (`Ik ruik de kinderen die er niet meer zijn') op het bord werd geschreven. Omdat het tegenwoordig pasmunt is, tot in de discussies in dit revolutionaire kabinet, durf ik, (ook nadat de lexicograaf Ewoud Sanders op de Achterpagina van de kwaliteitskrant baanbrekend werk heeft gedaan) het hier op te schrijven. Kut.

Het `dagblad tot verbreiding van het wantrouwen' heeft één nummer beleefd. De tijd was er nog niet rijp voor, de hele samenleving moest nog wat worden opgerekt en omgeturnd. Je kreeg een blad als Bikkel Acht; processen wegens belediging en overtreding van de regels van de goede smaak. Twee redacteuren hebben toen nog drie weken achter de tralies gezeten. Hoe dat gegaan is, lezen we nog altijd het best in Wim Hazeu's geïllustreerde standaardwerk Wat niet mocht (1972). Toen zijn de satirische columnisten in de dagbladen gekomen, en daarmee leek Nederland zich bij het gevorderde buitenland te hebben gevoegd: Le canard enchaîné, Private Eye, hoe ze verder heten. Een orgaan dat zich in de satire had gespecialiseerd, was er niet. Dat leek hier ook niet nodig.

Maar de beschaving staat nooit stil. Met Bill Clinton waren in Amerika voor de satirici weer gouden dagen aangebroken (met de sigaar). De Amerikaanse spotpers dringt in Europa niet door. Wat men daar regelmatig voor zijn rekening neemt, hoort hier op z'n hoogst tot de zeldzaamheden. Leuk? Snedig? Wat we tegenwoordig noemen hilarisch? Grof? Nog grover dan u het zich nu kunt voorstellen? Van Trudeau's Doonesbury, waar iedere weekdag in de Tribune George W. op de hak wordt genomen, tot de zwaarst geplette platheid in The Hustler, je hebt het allemaal. Hoe komt dat? Doordat er een publiek voor is.

Hier beleven we nu een nieuw tijdvak. Toch blijkt dan weer dat oude geschiedenissen iets onvergankelijk actueels bevatten. Menno ter Braak was op een tentoonstelling van politieke karikaturen. Hij noteerde: ,,Soms is het niet eens meer nodig, een caricatuur te maken, de foto volstaat.'' Zo is het meer en meer niet nodig, een satirisch blad te maken. Het lezen van de gewone krant volstaat. Misschien is het probleem dat we dit nog niet allemaal in de gaten hebben.