Het volk als rechter in Rwanda

Rwanda is begonnen met de berechting van 130.000 verdachten van de genocide. Schuldvraag én berechting liggen in handen van de dorpsgemeenschap. Traag en eenzijdig, zeggen de critici.

Twee koeien sloffen naderbij, de koppen laag gebogen onder de brandende zon. Een vrouw schikt haar omslagdoek en smoort het gehuil van een baby aan haar tepels. Achter een wankel tafeltje in de schaduw van een reusachtige boom vraagt Déo Rusatira zachtjes om aandacht. De voorzitter van de gacaca-zitting in de Rwandese gemeente Kimisingi, een uur rijden van de hoofdstad Kigali, legt de dorpelingen nog eens het doel van deze bijeenkomst uit.

Ruim honderd paar ogen kijken Rusatira zwijgend aan, als hij vertelt dat vandaag wordt vergaderd over de vraag wie tussen april en juni 1994 op deze Rwandese berg werden vermoord. Naast en achter de voorzitter zitten diens zestien medejuryleden, die het verloop én de uitslag van het gacaca-proces bepalen. De lucht zindert van spanning als de getuigen één voor één opstaan en vertellen wat ze zich van die gruwelijke dagen herinneren. Een zwoel windje verdrijft voor een kort ogenblik de hitte.

Ruim acht jaar na de genocide die aan naar schatting 800.000 mensen het leven heeft gekost, begint in Rwanda de berechting van de verdachten. In gevangenissen en dorpscellen wachten al jaren 130.000 mensen, dicht opeen gepakt. Ze worden beschuldigd van deelname aan de massamoorden.

De Rwandese regering heeft de gacaca, een traditionele volksrechtspraak, uit de vergetelheid gehaald om recht te spreken. Daarbij wordt de schuldvraag én de berechting in handen gelegd van de lokale bevolking, die daarvoor eigen volkstribunalen sticht op dorps- en wijkniveau. In de voorbije maanden zijn ruim 200.000 juryleden via een spoedcursus juridisch getraind. Dat laatste was nodig, omdat internationale donoren grote vraagtekens plaatsten bij het professionele en dus rechtszuivere gehalte van deze volksgerechten.

De internationale gemeenschap schaarde zich daarbij achter de kritiek van Rwandese mensenrechtenorganisaties, die vreesden dat gacaca tot een soort `bijltjesdag' zou leiden, waarvan vele onschuldige verdachten het slachtoffer konden worden. Omgekeerd was er aanvankelijk ook veel kritiek van lokale verenigingen van overlevenden van de genocide, die juist bang waren dat dankzij gacaca veel vermoedelijke daders vrijuit zouden gaan.

Het kostte de Rwandese regering veel overtuigingskracht om die weerstand aan beide zijden te pareren. Het gaat niet alleen om berechting, zo betoogden de autoriteiten. Deze vorm van volksrechtspraak leidt ook tot de broodnodige verzoening in het door haat en angst verscheurde Rwanda. Na jaren van overleg en voorbereiding ging het eerste gacaca-proces in juni van dit jaar van start onder grote internationale belangstelling, met veel show en vlagvertoon.

In de gemeente Kimisingi is van al die opwinding niets meer te merken. Voor de zoveelste maal sinds het begin van hun lokale gacaca-proces zijn ruim honderd dorpelingen op de vergaderplek in de open lucht neergestreken, waar ze uren in de hete zon praten over de gebeurtenissen van acht jaar geleden. ,,Het is goed dat we nu de kans krijgen ons openlijk uit te spreken'', zegt Emerethe Nyirarukundo, een 26-jarige werkloze onderwijzeres die het proces in Kimisingi sinds het begin bijwoont. ,,Op die manier kunnen we iets doen aan de verstopte gevoelens van haat en wraak die onze gemeenschap de afgelopen jaren hebben beheerst.'' Tegelijkertijd merkt ze dat veel mensen niet bereid zijn om de waarheid te vertellen. ,,In de tijd van de genocide woonden er op deze berg 194 families, Daarvan zijn 41 mensen vermoord. Er zitten 140 mensen in de gevangenis, van wie 48 onschuldig'', somt Emerethe moeiteloos op. Voor haar staat de uitkomst van het proces dus vast. Daarom stoort ze zich mateloos aan de traagheid van de procedures. ,,We zijn verplicht maandenlang elke week op een vaste dag bijeen te komen'', vertelt ze. ,,Als het quorum van honderd mensen niet wordt gehaald, gaat de vergadering van die week niet door. Dat geldt ook als de jury niet compleet is.''

Maar de dorpelingen kunnen niet elke week een dag opofferen voor gacaca. ,,Wie compenseert ons verlies aan inkomen, speciaal in de periode van de oogst?'', betogen de aanwezigen boos tegenover voorzitter Rutasira. Die heeft daar geen ander antwoord op dan dat de regering het zo heeft bevolen. Daags daarop beklaagt de minister van Justitie zich op de Rwandese radio over het tanende gebrek aan belangstelling vanuit de bevolking voor gacaca.

Er is ook veel kritiek op de volksrechtspraak, omdat alleen geoordeeld mag worden over de genocide die is gepleegd door het vroegere Hutu-regime. Misdaden die in diezelfde periode van 1994 zijn begaan door het leger van Tutsi`s, wier regering nu aan de macht is, komen niet ter sprake.

Vooral gemeenten als Kimisingi, in het noordoosten van Rwanda, hebben tussen 1990 en 1994 geleden onder aanvallen van Tutsi-soldaten. ,,Er zijn overlevenden van de genocide en overlevenden van de oorlog'', zegt ook de werkloze onderwijzeres Emerethe. ,,Die laatsten blijven buiten het gacaca-proces.'' Voorzitter Rutasira beaamt dat ,,een Tutsi-weduwe wel mag rouwen en een Hutu-weduwe niet''.