Het is nooit ergens helemaal pluis

Hij is uitgeroepen tot journalist van de twintigste eeuw, maar ook de nieuwe lijkt een kolfje naar zijn hand. Het altijd alerte werk van H.J.A. Hofland, verkenner in een onoverzichtelijke wereld.

Vaak wordt aangenomen dat de hele mensheid in hetzelfde universum leeft. Dat is een misverstand. Iedereen heeft zijn eigen wereldje, en al overlappen die wereldjes elkaar, het blijft een bonte boel van meer of minder kleine delen. Zelden spreekt men van een geheel persoonlijk universum, het komt slechts bij uitzondering voor. Maar wie Op zoek naar de pool. Het beste van H.J.A. Hofland opslaat, die betreedt zo'n universum.

Vaak wordt ook aangenomen dat in elk universum een scheppende kracht heerst, een Hand die ooit alles schiep en orde houdt. Ook dat lijkt een misverstand. In het chaotische universum van Hofland lijkt die Hand te ontbreken, terwijl hij het toch zelf is die het oeuvre schiep waaruit Op zoek naar de pool een keuze is. Je komt op rare paradoxen als je aan een portret begint van de schrijver die in Op zoek naar de pool aan het werk is.

Op zoek naar de pool bevat uiterst uiteenlopende stukken. Er is een afdeling `Grote wereld', vol transatlantische, politieke beschouwingen (over Hitler, over Reagan, Gorbatsjov, de val van de muur en veel meer), er is een deel dat `Nederland en politiek' heet (met onder meer stukken over Greet Hofmans, het totalitaire karakter van het automobilisme, en de sociaal-democratie). Dan volgt een reeks `Overpeinzingen', over fuchsia's, een autokerkhof, treinramen en de rechten van reizigers in het openbaar vervoer, met een geluidstechnische analyse van een vrachtauto die een hotelraam passeert. Veel techniek is er ook te vinden in de afdeling `Uitvindingen & Transport', waarin aanwijzingen over de praktijk van het modelscheepjes bouwen met behulp van colablikjes, veertjes en lege spaflessen, aangevuld met een weemoedig stuk over de ondergang van de Dinky Toy. Ernstiger wordt het in de afdeling `Hier!Nu!Veel!Lekker!', waarin Hofland zijn zorgen uit over de allesdoordringende rol van de media, de opkomst van het consumptiedenken en de toestand na elf september, afgezet tegen het engagement met schoonheid. Hier zien we de cultuurcriticus aan het werk, 75 jaar oud intussen, maar opnieuw bezield lijkt het wel. Dan is er het verzameldeel `Memoires van een journalist': een reis naar Schiermonnikoog, herinneringen aan Hoflands journalistieke carrière, of aan caféhouder A.P. Scheltema. Op zoek naar de pool sluit af met de absurde zo niet verknipte `Avonturen van Gravin Anna en Kapitein Pelle', een geschiedenis in tekst en beeld van een gewelddadige confrontatie van een gepothelmde legerofficier met een symbool van maagdelijke onschuld.

In deze verzameling van Hofland-stukken ontmoeten we twee personen die allebei H.J.A. Hofland heten. Eerst is er de `ik' uit de stukken, die als H.J.A. Hofland wordt aangeduid. Een journalist, oud-hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, columnist bij NRC Handelsblad, zowel onder eigen naam als onder het pseudoniem S. Montag. Montag/Hofland reist graag ouderwets per trein, of onderneemt expedities met de auto. Hij is een roker en drinker, met oog voor zo ongeveer alles, tot en met het roken en drinken zelf. Maar hij is iemand die altijd keurig en beleefd blijft. Het laatste lukt hem vaak door zich, voordat hij aan zijn peilloze ergernis over een wantoestand of wangedrag lucht geeft, uit de voeten te maken. Pas thuisgekomen, als hij voldoende gekalmeerd is, terwijl hij het opschrijft, ademt hij weer vrijuit. Montag/Hofland is een geboren journalist, die de wereld analyseert vanuit historisch perspectief, met een brede eruditie, in kalme stukken waaraan de zorgen niet ontbreken. Hij leeft voor de krant, in de wetenschap dat de krant niet voor hem leeft; relativeren is hem aangeboren. Hij heeft geen hoge pet op van de menselijke adel, maar berust daarin. Het is niet anders. Honden vertonen soms meer waardigheid.

We hebben in Montag/Hofland ook te maken met een pars pro toto-kijker. In de beschrijving van kleine eigenaardigheden laat hij zijn grote behoefte zien er buiten te blijven, buiten de chaos van de mensheid. In die zin kunnen we alles wat we lezen in het opstel `Stront', opgenomen in deze bundel, opvatten als een beginselverklaring van de manier waarop hij in de wereld staat: als waarnemer, als eenling, los van de rest, maar niettemin overal middenin. Ik moet bij Montag/Hofland soms aan de mythische Ahasverus denken, de wandelaar die niet mag rusten alvorens de Messias op aarde weerkeert, maar dan een Ahasverus die wéét dat die jongste dag nooit zal aanbreken en die zich afvraagt waar het dan heengaat.

De twééde H.J.A. Hofland is de schrijver van al deze stukken, waarin zijn naamgenoot Montag/Hofland als personage optreedt. Dat lijkt ingewikkeld, maar alvorens dat uit te leggen eerst deze vaststelling: de schrijver Hofland heeft een soepele, vanzelfsprekende stijl met zinnen die je regelmatig in het geheugen gebeiteld blijven.

`Het Vrijheidsbeeld bij nacht, als het door kolossale lampen wordt verlicht, doet nog het meest denken aan een dame in nachtjapon, die gewapend met een kaars, in een vreemd huis op zoek is naar de oorzaak van een eigenaardig geluid.'

`Van een afstand kan men abstraheren, zoals bijvoorbeeld iedereen weet die ooit een vuurwapen in handen heeft gehad.'

`Eén april is over twee jaar belangrijker dan Kerstmis; het is de datum waarin de geest van de tijd culmineert.'

Of, op zoek naar een wiel op een autokerkhof:

`Ik verkende een gebergte, het had gletsjers van oud rubber, bouten en moeren, in een eindmorene van in olie gedrenkte modder.'

Op zoek naar de pool bevat veel parels. Onvergetelijk is bijvoorbeeld, op het niveau van de kleine beschrijving, Hoflands portret van de oude, teckelachtige hond die hij herhaaldelijk ontmoet op zijn wandeling naar de krantenredactie. Hij herkent zichzelf in het dier: `Met een instemming die ik van geen andere ontmoeting ken, volg ik zijn doen en laten – in het bijzonder het laten. [...] Bij hem denk ik aan een betoverde gepensioneerde binnenschipper – hoewel ik zo iemand niet ken. Het is meer: hij leidt het onverstoorbare, eerzuchtloze leven dat ik als mijn ideaal voorstel, en daarbij heeft hij niets van zijn oplettendheid of onafhankelijkheid verloren.'

Een tijdje later ziet hij de hond weer: `Gisteren liep ik café Scheltema binnen. Daar was hij toevallig ook. Er was iets met hem.' De uitstraling is weg, het dier blijkt gewond aan een voorpoot.'

Ik geloof dat de verklaring die Hofland geeft voor het verlies van die uitstraling, een van zijn grootste angsten tekent: aangetast te worden in zijn lichamelijke integriteit. Het beschadigt de oplettendheid, het maakt een einde aan je onafhankelijkheid, het eiland van je persoonlijkheid wordt betreden door vreemde laarzen. Die angst leeft tussen en in de regels op verschillende plaatsen in Op zoek naar de pool. Het begint bij een opmerking over de aantasting via de reuk- en gehoororganen, via bespiegelingen over de oorlog tot aan de afsluitende beeldvoorstelling van Montag/Hofland zelf als dader, in de gedaante van de knettergekke Kapitein Pelle.

Hofland is (afgezien van wat hij doet in `Memoires van een journalist', het minst bevlogen stuk in Op zoek naar de pool) geen autobiografisch auteur in de strikte zin: het navertellen van je eigen leven. Hij verklaart dat ook zelf met nadruk in interviews. Niet zelden laat Hofland de werkelijkheid van zijn gelijknamige personage ook enigszins in fictie overlopen, wat soms tot hilarische passages leidt. Zo lezen we het volgende over de hoofdpersoon in misschien wel het mooiste verhaal in deze bundel, `Boven en onder de grond op Schiermonnikoog', als hij na een barre, winterse oversteek op het eiland is aangekomen: `Huurrijtuigen met dampende paarden en vrijwel onverstaanbare koetsiers stonden klaar om ons naar de logementen te rijden.' En verderop in het verhaal doet Hofland een wel zeer eigenaardige ontdekking: `Ik kom nu tot het verslag van een paar belangwekkende waarnemingen die ik hier deed en die door niet veel mensen zullen worden gedeeld. Ten eerste lagen hoog op het strand geweldige ijsblokken, sommige van meer dan een meter in doorsnee. Aangezien zo'n ijsblok een diepgang moet hebben gehad van op zijn minst negentig centimeter, en ook doordat de vloedlijn zeker een meter of vijf verder liep, kwam ik tot de slotsom dat hier een andere kracht dan die van het water in het spel moet zijn geweest. De hoekige vormen in aanmerking genomen, wees ik de theorie dat we hier te doen zouden hebben met ijzelformaties direct van de hand. Immers, zelfs ijzel dat binnen een cycloon zou neerslaan, zou althans enigszins de vorm van een kurkentrekker hebben, en dat was hier volstrekt niet het geval. De blokken, die ver verspreid lagen en volgens mijn schatting ongeveer duizend kilo per stuk wogen, waren met reuzenkracht op het strand gesmeten. Ten tweede zag ik bijzonder mooie zandvormen, messcherpe russen die achter stukken wrakhout, stenen of schelpen waren ontstaan. Dag en nacht had de wind eraan geslepen terwijl de vorst er een geweldige hardheid aan had verleend. Uit de meegevoerde proviand pakte ik een appel, en inderdaad bleek dat ik die aan een van deze hoger opstaande `zandmessen' gemakkelijk kon schillen.'

Ik geloof niet dat het vreemd is bij deze passage te denken aan Jules Verne, aan diens belangstelling voor vreemde ontdekkingen en zijn technische overwegingen van het ongerijmde. In andere passages in Op zoek naar de pool herkennen we de toon van het vooroorlogse jongensboek, met name van werkjes als Gos. De Voogts Doe 't zóó. 100 dingen die iedere flinke jongen moet weten (z.j.). Zo glijdt de schrijver Hofland, je merkt het soms nauwelijks, van de herkenbare werkelijkheid (volwassen waargenomen wereldpolitiek of de kleine dingen, door jongensogen ontleed) naar een wereld waar alles tot het mogelijke behoort, tot en met de vernietigende liefde van Kapitein Pelle voor Gravin Anna, eindigend in een dodelijk schot.

Nu lijkt de mededeling dat Hofland geen autobiografisch auteur is op zijn minst paradoxaal, vlak na de opvatting dat Hofland zichzelf zowel in het stuk over de gewonde hond als in `Stront' persoonlijk blootgeeft. Daarnaast ben ik nog een verklaring schuldig in verband met de kwestie rond de identiteit van de schrijver Hofland en het personage Montag/Hofland. Ik geloof dat beide vragen te maken hebben met de status van Hofland als buitenstaander, die zowel kenmerkend is voor de schrijver van al deze stukken als voor de ik-figuur Hofland/Montag die erin optreedt. Beiden willen hetzelfde: waarnemen, betrokken maar onafhankelijk, de spanning voelen tussen het feitelijke en het mogelijke uit heden en verleden, en God verhoede een verwonding die hen uit het lood slaat. Daarin ligt waarschijnlijk ook de reden dat de auteur Hofland soms over zichzelf schrijft als over een personage: zelfbescherming, hij zet zich op kritische afstand. Tegelijkertijd lijken beiden natuurlijk zoveel op elkaar dat enig onderscheid onnodig lijkt. Auteur en hoofdpersoon lopen in dit oeuvre overal hand in hand.

Zo ben ik terug bij af. Ik ben trouwens de enige niet. Zo komt ook de hoofdpersoon in een van de duidelijk als fictie bedoelde stukken in Op zoek naar de pool, het onthutsende dagboek `Voorbereiding tot een uitvinding' dat al van 1955 dateert, niet veel verder op het spelletjesbord dan het vak `Af'. Aan het woord in dit stuk, eerder verschenen in Podium, is een manische zelfbespiegelaar die zich voorneemt ergens in de stad een kamer te huren, waar niemand iets van weet. Veel meer dan plannen bedenken, roken en op de divan liggen doet hij niet. Hij besluit dan maar zijn liggen te bestuderen: `Een fenomenologie, dat past in de lijn.' Volgt een beschrijving van lighouding 1 tot en met 8. Dan komt de gedachte aan een te schrijven boek. Maar: `Een boek is te weinig. Potten, flessen, foto's en een herbarium, carnarium: een hele wetenschap van mijzelf. Valt er een neushaar uit, dan wordt hij geclassificeerd en ingeplakt. [...] De gevoelens worden verdeeld over tabellen en grafieken. [...] Dromen worden genoteerd en zo kom ik volledig op papier. Alles doe ik voor de spiegel, zodat geen enkele verandering verborgen blijft.'

Het dagboek begint weliswaar op 1 april, maar als mop moeten we deze vroege Hofland beslist niet opvatten. De voornemens worden niet uitgevoerd, de laatste dagboekaantekening meldt slechts dat het (dan zes keer overgeschreven) dagboek het enige resultaat is. Maar dat de fenomenologie in Hoflands lijn ligt, daarvan getuigt elk stuk in Op zoek naar de pool, met een hardnekkigheid en aandacht voor detail die in de geest in niets verschilt met de voornemens van deze dagboekanier.

Het schetsen van een portret van H.J.A. Hofland aan de hand van de stukken in Op zoek naar de pool is niet eenvoudig. We betreden een persoonlijk universum van iemand die zich liefst op een zekere afstand van onze wereld houdt – oplettend, onverstoorbaar, onafhankelijk maar ook kwetsbaar. Ook in zijn eigen universum loopt hij aarzelend rond, alsof het niet helemaal van hem is en alsof waakzaamheid ook hier altijd geboden is. Misschien zoekt hij er naar een Hand die orde houdt, maar dat lijkt allerminst zeker. `Zo veroorzaakt ordening van de chaos nieuwe chaos,' schreef hij al in 1955.

Ik vermoed dat Hofland die overtuiging nog steeds met zijn hoofdpersoon deelt. Er zit maar één ding op, en dat doet Hofland al decennia lang: zoeken naar de magnetische pool in de wereld. Die blijkt zich soms te verplaatsen. De schrijver Hofland blijft het kompas bijstellen, tot zijn laatste snik.

H.J.A. Hofland: Op zoek naar de pool. Het beste van H.J.A. Hofland. Met een voorwoord van H. Brandt Corstius. Samengesteld door Baukje Brugman en Sjoerd de Jong. De Bezige Bij, 463 blz. €25,–