Gespeend van vrije wil

Begin oktober wordt de Nobelprijs voor literatuur uitgereikt.

Welke grote schrijvers visten in het verleden achter het net? Als eerste in een serie: Emile Zola die de prijs in 1901 misliep.

In de jaren zestig van de negentiende eeuw drijft Madame Raquin in Parijs een fourniturenwinkeltje. In de smalle passage, vlakbij de Pont-Neuf, waar vaak paartjes staan te vrijen, stinkt het en de glazen overkapping is zwart van het vuil. Uit de winkeltjes – oude boeken, valse juwelen – stijgt een kille kelderlucht op. 's Avonds, bij een povere verlichting, lijkt de passage wel een moordhol en voorbijgangers voelen zich er niet op hun gemak. Madame Raquin wordt in haar winkeltje geholpen door haar nichtje Thérèse, die ze heeft gekoppeld aan haar ziekelijke zoon Camille. Het hartstochtelijke meisje begint een verhouding met de knappe amateurschilder Laurent. De echtgenoot staat de geliefden in de weg en wordt, tijdens een boottochtje, verdronken, maar de moordenaars blijken buiten het sluipende schuldgevoel te hebben gerekend en plegen, waanzinnig geworden, zelfmoord.

Dit soort verhalen moet Alfred Nobel weinig stichtelijk hebben gevonden. Hij noemde het werk van Emile Zola (1840-1902) ooit `smoezelig' en hoewel de jury de `gigantische werkkracht' van Emile Zola erkende, evenals zijn `aanzienlijke vermogen de werkelijkheid te beschrijven', besloot zij dat `zijn vaak grove cynisme en het gebrek aan geestelijk leven van zijn naturalisme' hem voor de prijs diskwalificeerden. Aangezien de eerste Nobelprijs voor literatuur naar een Fransman moest gaan, werd daarop de Parnassiaanse dichter Sully-Prudhomme uitverkoren – die naam doet tegenwoordig weinig bellen meer rinkelen.

Om dat naturalisme van Zola ging het hem natuurlijk. Al meteen na het verschijnen van Thérèse Raquin, Zola's vierde roman, uit 1867, beschuldigen enkele critici hem ervan `een stelletje pestdragers' te hebben opgevoerd en zich `door de cholera te laten inspireren'. Daarop schrijft Zola, voor de tweede druk, een voorwoord waarin hij uitlegt wat hem voor ogen staat: een `experimentele roman' binnen een wetenschappelijke doctrine. Hij wil `temperamenten, geen karakters bestuderen': ,,Ik heb personages gekozen die in hoge mate beheerst worden door de drang van hun bloed en hun zenuwgestel, die gespeend zijn van vrije wil, die bij iedere daad in hun leven worden meegesleept door hun onontkoombare driften. Thérèse en Laurent zijn niets anders dan dieren in mensengedaante.' In dezelfde tijd moet Zola kennis hebben genomen van La médecine expérimentale van de arts Claude Bernard en van de Traité de l'hérédité naturelle, een werk over erfelijkheidsleer van docteur Lucas. In de geest van die werken beschouwde Zola de schrijver als observator en experimentator: hij koos een onderwerp (alcoholisme), formuleerde een hypothese (alcoholisme is erfelijk), plaatste zijn personages in de omstandigheden die daarbij pasten en liet het verhaal zijn hypothese bevestigen. Volgens Zola was de mens met huid en haar uitgeleverd aan de erfelijkheidswetten, waardoor het individu zelf niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor zijn morele verval. Hij wijdde zich dan ook aan het uit en te na beschrijven van menselijke instincten, vooral uit de lagere klassen van de bevolking.

Zelf was Zola daar niet uit afkomstig. Zijn Italiaanse vader was ingenieur. Bij zijn vroege dood liet hij vrouw en zoon berooid achter. Dankzij een beurs kon Zola het lyceum in Parijs doorlopen, maar daarna sloeg de armoede toe. In een studie over zijn leermeester schreef Maupassant later dat Zola in die tijd vanuit zijn raam mussen ving, ze op een gordijnrail prikte en tussen twee strijkijzers roosterde. Al snel kiest Zola voor een journalistieke carrière en schrijft over politiek, kunst en literatuur in verschillende kranten en tijdschriften. Hij breekt een lans voor de jonge, impressionistische generatie, aangevoerd door Edouard Manet, en wordt binnen een paar jaar een gevreesd kunstcriticus.

Volle buik

Toch waren zijn politiek journalisme en zijn kunstkritiek niet meer dan broodschrijverij. Het ware vuur legde hij aan de dag in zijn artikelen en polemieken over literatuur en het naturalisme, waarvan hij de onbetwiste grondlegger is. In die zin was de rel rond Thérèse Raquin nog maar het begin. In de winter van 1868-'69 dacht Zola het ambitieuze plan voor de Rougon-Macquart cyclus uit: twintig boeken die de biologische en sociale geschiedenis uit één familie moest omvatten. De indrukwekkende genealogie, die meerdere pagina's besloeg, had hij al ontworpen. Zola wilde het hele Second Empire schilderen – maar dan als analyserend romancier, met een wetenschappelijke, onderzoekende invalshoek. Hij maakte het waar: in 1871 verscheen La fortune des Rougon, het eerste deel van de cyclus, en in 1893 Le docteur Pascal, het laatste. Voor het grootste deel zijn die romans ook nu nog zeer leesbaar.

In iedere nieuwe roman nam Zola weer een volgend heet hangijzer uit zijn tijdsgewricht bij de kop. In Le ventre (1873) is dat de buik: de lege van Zola's hoofdpersoon, een ontsnapte banneling, en de volle van de bevoorrechte bourgeoisie. In Au bonheur des dames (1883), nog steeds overal in Frankrijk een geliefde naam voor op de gevel, illustreert Zola de opkomst van het grootwinkelbedrijf, wat ten koste gaat van familienerinkjes. Maar het is ook een romantische liefdesgeschiedenis in de tijd van opkomend grootkapitaal – eentje die bij de kritiek in de smaak viel.

Dat was een paar jaar daarvoor wel anders geweest, toen L'Assommoir (1877), een roman over de ondergang van een arbeidersgezin, een flink schandaal veroorzaakte. Alcohol, (kinder-) prostitutie, huiselijk geweld en `ménage à trois' – een heel arsenaal aan `obscene vuiligheid' liet Zola de revue passeren. Zelfs Hugo vond het boek `abject' en sneerde dat Zola blijkbaar niet tevreden was voordat hij in detail `een volle po' had beschreven. Zola zocht de luwte in het gezelschap van andere `auteurs sifflés' en noodde Flaubert, de gebroeders Goncourt, Daudet en Toergenjev op een maandelijks diner. Het schandaal legde Zola geen windeieren: binnen een jaar werden er 40.000 exemplaren van het boek verkocht en als toneelstuk werd het bijna duizend keer opgevoerd. Bij zijn dood, in 1902, waren er 1,7 miljoen exemplaren van zijn boeken over de toonbank gegaan. In 2000 waren dat er 21,7 miljoen.

Toch dankt Zola zijn internationale roem, wreed genoeg, niet zozeer aan zijn literaire oeuvre als wel aan een anderhalve krantenpagina beslaand, vlammend politiek pamflet, J'accuse, dat op 13 januari 1898 verscheen in de krant L'Aurore. In de bekende open brief aan de president van de Republiek, nam Zola stelling tegen de verbanning van de joodse kapitein Alfred Dreyfus, die was veroordeeld wegens spionage – ten onrechte, naar later bleek. Zola werd veroordeeld en vluchtte naar Engeland, waar hij een jaar verbleef.

Drie jaar later stierf Zola aan een koolmonoxidevergiftiging – tot op de dag van vandaag is onduidelijk of er sprake is van moord (een fundamentalistische anti-dreyfusard?) of van een ongeluk (een verstopte schoorsteenpijp?). Zeker is dat hij in 1901 door de jury van de Nobelprijs werd gepasseerd. Het moet een bittere pil zijn geweest. Dankzij zijn vrienden Daudet, Flaubert en Maupassant was hij eerder wel benoemd tot officier van het Légion d'Honneur, maar het prestigieuze gezelschap der onsterfelijken hield de deuren van de Académie Française tot negentien maal toe voor hem gesloten. Dat zijn as in 1908, `om het hem aangedane onrecht ten tijde van de affaire-Dreyfus te herstellen', alsnog werd bijgezet in het Panthéon, is niet meer dan een schrale troost.