Geen tijd voor psychologie

Zou het toeval zijn dat een zwarte bladzijde uit de vaderlandse geschiedenis premier Kok fataal werd? Vast niet. Bij mijn weten heeft geen premier zoveel historische onderzoeken gelast als Kok (hijzelf of zijn ministers). Behalve het Srebrenica-onderzoek hebben de paarse kabinetten historici de kwestie van het `roofgoud' laten onderzoeken, die van de oorlogskunst en die van de terugkeer van oorlogsslachtoffers na mei 1945.

Dat laatste gebeurde onder toenemende druk van de publieke opinie, van pers, historici en slachtoffers. Wereldwijd werden een halve eeuw na de oorlog nieuwe vragen gesteld die om nieuwe antwoorden schreeuwden. Een oorlog van helden en schurken was een oorlog geworden van daders, omstanders en slachtoffers, en die vroeg om een ander soort van rekenschap. In Nederland werd daartoe de Stichting opvang en terugkeer oorlogsslachtoffers ingesteld die, onder leiding van Niod-onderzoeker Conny Kristel, moest onderzoeken óf en zo ja hóe kil de ontvangst in Nederland was geweest voor terugkerende joden, politieke gevangenen, Sinti en Roma, dwangarbeiders en Indische kampgevangenen.

Het zogeheten Soto-onderzoek werd dit jaar afgerond met vier flinke boeken: De Meelstreep en Mensenheugenis in het voorjaar (besproken in Boeken, 02.11.01), Polderschouw en Binnenskamers in de zomer. Polderschouw is een bundel mini-monografieën over de opvang van alle categorieën oorlogsslachtoffers in de verschillende delen van Nederland. Binnenskamers gaat over besluitvorming ten aanzien van de opvang op verschillende niveaus; van de Hulpactie Roode Kruis tot de Raad voor het Rechtsherstel.

Maar het paarse kabinet had al die boeken niet nodig en trok een jaar eerder al zijn conclusie. Premier Kok maakte in maart 2001 bij de onthulling van een herdenkingsmonument in Westerbork alvast een zuinig excuus: de opvang `had beter gekund', zei hij. Logisch dus, dat toen het laconieke De Meelstreep verscheen, veel kritiek klonk. In de eerste plaats van oorlogsslachtoffers, aan wie in het Soto-onderzoek een rol was toegekend als `vertrouwenscommissie'. In plaats van de monumentale slachtofferkroniek waar zij wellicht op hadden gehoopt, lag hier een boek dat een mentaliteitsgeschiedenis wilde zijn van de jaren 1945-2001, waarin de schrijver tot de conclusie kwam dat niet iedere repatriant even veel te klagen had en dat de overheid in het algemeen naar eer en geweten haar werk had gedaan.

Er kwam ook kritiek van `binnenuit'. Aan het Soto-onderzoek hebben zo'n vijftig mensen meegewerkt. Zij deden de deelonderzoeken en schreven de deelstudies aan de hand waarvan `hoofdauteur' Bossenbroek De Meelstreep samenstelde. Niet iedereen was even gelukkig met de wijze waarop Bossenbroek zijn of haar werk had afgegraasd en naar zijn hand gezet. Meest typerend is misschien wel de kanttekening van Annet Mooij, die voor het Soto-onderzoek de psychiater A.M. Meerlo `herontdekte'. Meerlo voorspelde voor het eind van de oorlog dat na de bevrijding `het vraagstuk van het verbroken psychische evenwicht het grootste probleem (zal) blijken'. Met zijn inzichten en aanbevelingen is bij de opvang in bevrijd Nederland hoegenaamd niets gedaan – die constatering van Mooij neemt Bossenbroek over in De Meelstreep.

Voor Mooij is de constatering onvoldoende. Bossenbroek komt met een zakelijke vaststelling hoe het is gegaan en met een analytische poging het waarom te verklaren. Hij signaleert dat dat de overheid zich vooral bezighield met de materiële nood en, voorzover ze al `geestelijke' maatregelen bedacht, die vooral richtte op `aanpassing' en herstel van de volksgemeenschap. Emotionele en psychische opvang liet zij achterwege. Mooij schrijft in het juninummer van Icodo, tijdschrift over gevolgen van oorlog en geweld: `Je kunt echter ook een andere vraag stellen, namelijk: Had het anders gekund?' Het hád anders gekund, natuurlijk, want er waren mensen als Meerlo die er anders over dachten en er waren landen die bijvoorbeeld centra voor psychosociale opvang opzetten.

Je zou de kritiek op die lacune in Bossenbroeks werk kunnen typeren als slachtofferkritiek – en dat is niet bedoeld om die vervolgens opzij te schuiven. Maar moet een historicus de geschiedenis afgaan met de checklist van wat beter had gemoeten en wat geen schoonheidsprijs verdient – om ex-premier Kok nog maar eens aan te halen?

Het grote publiek kan zelf oordelen. In Mensenheugenis, en ook in het recent verschenen Polderschouw en Binnenskamers is het materiaal waaruit Bossenbroek het hoofdboek samenstelde, meegedrukt in de vorm van artikelen. Alleen daarom al is het Soto-onderzoek een voorbeeldig historisch project: deze combinatie van zelfverzekerdheid en zelfrelativering kom je niet vaak tegen.

Het `lage' niveau van het onderzoek ondervangt het gevaar van achterafwijsheid. Je ziet de Zeeuwen voor je, die met zijn elven op een wankele zolder wonen, de Friese verzetstrijders die maandelijks rondgaan om getroffen gezin een uitkering te bezorgen en die niets moeten hebben van centrale regelingen, de uit concentratiekampen teruggekeerde joden die op het Centraal Station van Amsterdam in de rij staan met SS'ers en NSB'ers om ondervraagd te worden. En je ziet ook de `ontvangende' Nederlanders voor je, de gezagsdragers die niet weten waar ze het eerst met noodwoningen moeten komen, de ondervrager die op de fiets informatie gaat controleren terwijl de repatriant op het station moet wachten.

Daar kun je dan wel van vinden dat het anders had gekund en gemoeten, maar het is niet anders gegáán, en dat is wat Bossenbroek heeft geschreven. Bossenbroek neemt overigens ook in Polderschouw een artikel voor zijn rekening, over evacués in Emmen, en het valt op dat je hier de trefzekere, zorgvuldig componerende auteur van De Meelstreep haast niet terugherkent.

Het is doodzonde dat het grote publiek aan dit alles klaarblijkelijk nauwelijks boodschap aan heeft. Van De Meelstreep zijn tot nog toe 2500 exemplaren verkocht en het is zeer de vraag of de andere delen zelfs dat schamele aantal zullen halen. De voorbarige conclusie van premier Kok heeft een groter bereik gehad.

Connie Kristel (red.): Polderschouw. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog: regionale verschillen. Prometheus, 447 blz. E34,50 Connie Kristel (red.): Binnenskamers. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog: besluitvorming. Prometheus, 432 blz. E34,50