De echte klimaatsverandering

Het is zonder meer hèt begrip van de zomer van 2002: het politieke klimaat. Oud-PvdA-staatssecretaris Dick Benschop kan er niet meer in functioneren. ,,Oppositie voeren in het huidige politieke klimaat doet geen beroep op mijn sterke kanten'', schreef hij vorige week in de brief waarin hij zijn vertrek uit de Tweede Kamer aankondigde. Ex-VVD-leider Hans Dijkstal was hem een week eerder voorgegaan. In een toelichting op zijn besluit om de Tweede Kamer met ingang van volgende week te verlaten zei hij dat de ,,uitzonderlijke gebeurtenissen tijdens en na de verkiezingscampagne, de bijzondere verkiezingsuitslag, de veranderingen binnen de VVD en het verloop van de formatie'', voor een situatie gezorgd hebben waarin het voor hem niet meer mogelijk is ,,om effectief als volksvertegenwoordiger te werken''.

Een ander politiek klimaat dus. Maar wat houdt dat dan in? Volgens het PvdA Tweede-Kamerlid Adri Duivesteijn (vorige week in deze krant) is het een gegeven dat de politiek sinds de laatste verkiezingen ,,platter'' en ,,ordinairder'' is geworden en de Kamer ,,niet langer een vrijplaats is voor intellectueel debat''.

Dit laatste is natuurlijk sterk overdreven. De Tweede Kamer is nooit een vrijplaats voor intellectueel debat geweest en gelukkig maar. In de Tweede Kamer behoort politiek bedreven te worden en dat vak heeft maar weinig te maken met hoogstaande intellectuele exercities.

Sterker nog, die twee zaken verhouden zich niet eens met elkaar.

Dan het andere punt van Duivesteijn: platter en ordinairder. Het zijn subjectieve begrippen. Met de komst van het grote contingent LPF'ers is het gezicht van de Kamer ontegenzeggelijk veranderd. Wie nog twijfelde over de platheid en het ordinair zijn van een deel van de LPF-fractie moet de afgelopen weken wel tot inkeer zijn gekomen. Maar juist omdat al die mensen die menen `in de geest van Pim' te handelen zo druk bezig zijn met hun zelfvernietiging (tweederde van de aanhang is inmiddels weg, aldus de laatste peilingen) is het de vraag in hoeverre deze groep passanten het politieke klimaat wel kan veranderen.

Natuurlijk is er voor een aantal politici op het persoonlijke vlak wat gebeurd. Het feit dat oud PvdA-leider Ad Melkert straks als `politiek vluchteling' naar Washington vertrekt en dat GroenLinks-fractievoorzitter Paul Rosenmöller al maanden niet meer de oude is, zegt wat dit betreft genoeg. Er is sprake van een intimiderende sfeer. Maar deze betreft, hoe erg het ook is, specifieke personen en geen opvattingen. Want dat het debat soms heftiger wordt gevoerd dan voorheen is niet hetzelfde als intimidatie.

En toch is er iets aan de hand. Met het politieke klimaat is het net als het echte klimaat: het verandert als je er middenin zit haast ongemerkt. Veel belangrijker dan de uiterlijkheden (meer regen) zijn de onderliggende oorzaken (het broeikaseffect). De uiterlijke politieke klimaatsverandering manifesteert zich in de LPF-factor. Maar belangrijker zijn de omstandigheden die het LPF-isme mogelijk maken.

Over het succes van Pim Fortuyn en de electorale voedingsbodem is al voldoende gezegd en geschreven. Hij wist daarnaast het politieke debat terug te brengen. Maar over het product dat Fortuyn in de vorm van de LPF-fractie postuum heeft gebaard, zou hij waarschijnlijk de eerste zijn geweest om een vernietigend oordeel over uit te spreken. Nu moeten anderen dat doen, maar wie? En dan komen we bij de echte politieke klimaatsverandering. Want het meest fascinerend is toch dat de LPF en wat daarmee samenhangt voor anderen zo eenvoudig accepté is geworden.

Op zich is het een goed principe dat politieke partijen die bij verkiezingen een aanzienlijke aanhang weten te verwerven niet bij voorbaat worden uitgesloten. Maar er mogen vervolgens toch wel een paar minimumeisen worden gesteld?

Het blijft onbegrijpelijk dat iemand als Jan Peter Balkenende die zo graag de slogan `fatsoen moet je doen' bezigt, dit principe nooit tegenover de LPF heeft gehanteerd. Op de meest hypocriete en onsmakelijke wijze wordt vanuit LPF-gelederen de `kogel-kwam-van-links-mythe' nog altijd gekoesterd. Nooit is er ondubbelzinnig afstand van genomen. Balkenende en de nieuwe VVD-leider Zalm hadden die voorwaarde in de onderhandelingen over de kabinetsformatie kunnen stellen; het is niet gebeurd.

Iets soortgelijks geldt voor de personele invulling van het kabinet. In Nederland is het aandragen van kandidaat-ministers -en staatssecretarissen een zaak voor de afzonderlijke coalitiepartijen. Dat wil zeggen: in theorie. In de praktijk kan de formateur annex aanstaande minister-president wel degelijk zijn invloed aanwenden; het is niet gebeurd. Hilbrand Nawijn met zijn niet onomstreden ambtelijke justitieverleden kon minister van datzelfde departement worden, Philomena Bijlhout kon ondanks haar omstreden Suriname-verleden desondanks in eerste instantie staatssecretaris worden.

Dan is het kabinet nu een maand bezig. Van een rustig begin is geen sprake. Ook hier is de LPF-factor nadrukkelijk aanwezig. Maar waar waren de coalitiepartners toen Bomhoff zich direct ontdeed van één van zijn topambtenaren. En waar was de minister-president? Daarna kwamen de ideeën. De regering spreekt met één mond, heet het. Maar namens wie debiteert minister Nawijn van Vreemdelingen en Integratiebeleid al zijn wijsheden, is Herman Heinsbroek nu minister of een pratende denktank, en wat is eigenlijk de status van al die fiscale plannen van staatssecretaris Van Eijck. Dat die nieuwkomers er een hit-and-runpolitiek op nahouden, is hun zaak; opmerkelijker is dat zij dat blijkbaar ongestraft kunnen doen. Anders gezegd: dat de anderen dit laten gebeuren. Dát is pas de echte verandering van het politieke klimaat.