De dood betaal je levend af

Je groeit op aan de rand van een woestijn in Alexandrië, je gaat naar een Franse school, schudt de hand van de Griekse dichter Kaváfis en je vertrekt naar Parijs waar je de boezemvriend wordt van Apollinaire en colleges loopt bij de filosoof Bergson. Voor een land dat je alleen maar vluchtig als toerist hebt bezocht, ga je in de loopgraven liggen en je ziet hoe de modder zich vermengt met het bloed van je kameraden. Bijna tien jaar later begin je een openlijke flirt met het fascisme, om daarna door het katholieke geloof te worden gegrepen. Je verlaat Rome en gaat Italiaanse letterkunde doceren aan de universiteit van São Paulo, in welke stad je negenjarig zoontje komt te overlijden. Je keert voorgoed terug naar Rome en maakt daar de bezetting mee aan het eind van de Tweede Wereldoorlog.

De vraag is: in hoeverre hebben bovenstaande biografische factoren bijgedragen aan het gegeven dat de persoon in kwestie – Giuseppe Ungaretti (1888-1970) – een wereldberoemd dichter is geworden, wellicht de meest toonaangevende vernieuwer van de Italiaanse poëzie in de twintigste eeuw. Er wordt beweerd dat alleen een Italiaan die op vreemde bodem het levenslicht zag, een buitenstaander, een kosmopoliet, een woestijnmens, een nomade – dat alleen zo iemand in staat was de Italiaanse dichtkunst op zijn grondvesten te laten schudden. Die hypothese lijkt alleszins plausibel, te meer wanneer men zich realiseert dat de jonge Ungaretti niet verstikt werd door de drempelvrees inboezemende Italiaanse poëtische traditie, en evenmin door de klassieke rigueur van Carducci en de retorische opulentie van D'Annunzio. Integendeel, de belevingswereld van de scholier werd gevoed door het Franse symbolisme (Mallarmé voorop): de magische en evocatieve kracht van het woord die ongekende werkelijkheden doet opdwarrelen, de muzikaliteit van het vers, het verzet tegen een starre metriek.

Deze ingrediënten zijn onmiskenbaar terug te vinden in het oeuvre van Ungaretti, maar minstens zo beslissend is de kennismaking van de aspirant-dichter met de futuristen (Marinetti en de zijnen). Het is niet hun thematiek (cultus van de techniek en de oorlog, nationalisme) die hem boeit, maar wél hun syntactische anarchie, hun afkeer van interpunctie en adjectieven, hun associatieve werkwijze en het gebruik van analogie, klanknabootsingen en simultaneïsme.

Sigaretten

Gewapend met deze invloeden meldde de ontheemde Italiaan zich aan het front van de Eerste Wereldoorlog om een vaderland te dienen dat hij uitsluitend uit de verte had beleefd, en om uiteindelijk tot de bevinding te komen dat hij, de nomade, alleen maar in zijn gedichten kon wonen. Want in de loopgraven begon hij fragmenten te noteren op de papiertjes waarin sigaretten of kogels gehuld waren. Zo ontstond een van de meest baanbrekende bundels uit de geschiedenis van de Italiaanse dichtkunst, Il Porto Sepolto (De Bedolven Haven, 1916), de kern van de dichtbundel Allegria di Naufragi (Vrolijkheid van Schipbreuken, 1919), dat zijn definitieve vorm kreeg in L'Allegria (1931).

Met L'Allegria verwierf Ungaretti wereldfaam. Maar de dichter, die samen met Eugenio Montale, Salvatore Quasimodo en Umberto Saba tot de plejade van de 20ste-eeuwse Italiaanse poëzie behoort, is in Nederland alleen geëerd met verspreide publicaties en vertalingen. Daarin is nu pas verandering gekomen met De mooiste van Ungaretti, waarin 54 gedichten van Ungaretti zijn afgedrukt samen met de vertaling van Salvatore Cantore.

De meeste gedichten komen uit L'Allegria. Terecht, want daarin betoont Ungaretti zich niet alleen een begenadigd chroniqueur van het oorlogsleed en de verloren jeugd (de biografische kant), ook weet hij zijn zoektocht naar de wortels van het bestaan te verstrengelen met een fascinerend tasten naar de meest vitale vorm, het meest verpletterende en tegelijk meest iriserende woord. Die ambitie mondt uit in fragmentarische, uitgebeende poëzie. Ungaretti zelf omschreef zijn poëtica in het gedicht `Afscheid', dat tegelijkertijd de belichaming is van zijn werkwijze: `Wanneer ik / hier in mijn zwijgen / een woord vind / is het uitgehouwen in mijn leven / als een afgrond.' Het vers is gedemonteerd, hier heerst niet meer de traditionele weidsheid van de Italiaanse elflettergrepige verzen, maar versplintering, de techniek van de pauzen en een knoestige paradox: hoe nederiger en schaarser het woord, des te verder reikt de impact.

Terecht oppert Dina Aristodemo in de voortreffelijke inleiding van De mooiste van Ungaretti dat sommige gedichten van L'Allegria doen denken aan een haiku. De tot een sober en expressief lexicon afgeschuurde gedichten zijn doorstraald van een diepe menselijkheid. Ungaretti's bekommernis ligt bij de gedeemoedigde mens, die door oorlog, eenzaamheid, twijfel en besef van de vergankelijkheid van alles ernstig wordt beproefd: `De dood / betaal je / levend af' (uit `Ik ben een schepsel'). Maar deze houding leidt niet tot een omarming van de ontgoocheling; integendeel: ze maakt van de dichter een vitalist die onafgebroken blijft zoeken naar een houvast: `Ungaretti / man van leed / aan een illusie heb je genoeg / om weer moed te vatten' (uit `Bedevaart').

Die spanning tussen huivering en schoonheid, tussen het faustische en het fatalistische blijkt met name uit de woorden die veel voorkomen in L'Allegria. Woorden die een ode aan het leven brengen (dageraad, zon, zee, licht), maar aan de andere kant woorden die het leven uitwissen, bedelven (mist, duisternis, nacht, verdwijnen). En dan zijn er nog voorbeelden waarbij leven en dood, daadkracht en berusting elkaar kruisen en bevleugelen, zoals in de regels `en mijn leven me vóórkomt / als een bloemkroon / van duisternissen' of in het gedicht `Heelal': `Met de zee / heb ik me / een baar van koelte / gemaakt'. Het heelal dat bescherming biedt in zijn onmetelijkheid, de natuur die een vluchthaven is: Leopardi, een van de boegbeelden van de Italiaanse lyriek, is niet ver weg. Inderdaad, de beelden die Ungaretti gebruikt zijn klassiek, soms wat sleets, maar door de onconventionele prosodie en hun ongepolijste bedding krijgen die beelden vaak een fonkelende zeggingskracht.

Feilbaarheid

De revolte tegen de traditionele poëzie in L'Allegria, maakt in Ungaretti's tweede bundel Sentimento del Tempo (1933; Gevoel van de Tijd) plaats voor een terugkeer naar een meer regelmatige metriek en een voornamer en weelderiger vocabulaire. Het devies is nu: niet stamelen maar zingen, geen eenvoudige vrije verzen doorwoekerd met kiemkrachtige woorden, maar syntactisch meer vloeiende, elflettergrepige verzen waarin maat en interpunctie een belangrijke rol spelen. Gebleven zijn de metaforen, analogieën en synesthesie, de techniek van de pauzen en (daardoor) de met meervoudige betekenis geladen woorden. In thematisch opzicht is het keurslijf losser geworden: de feilbaarheid van de mens krijgt een meer mythische en zelfs religieuze dimensie, het autobiografische element wordt vervangen door universele emblemen, waarbij de spanning tussen het eeuwige en het vergankelijke domineert. Om niet in troebelheid te vervallen een voorbeeld, het gedicht `Echo': `Dageraad, feestelijke liefde, barrevoets / Van de maanzanden overgekomen, met een echo / Bevolk je het heelal in ballingschap en je laat / In het vlees van de dagen, / Eeuwigdurend spoor, een versluierde wond achter.'

Van Sentimento del Tempo heeft Cantore maar vijf gedichten opgenomen. Van de volgende bundel, Il Dolore (1937; De Smart), zijn het er nog maar twee, hoewel het gedicht `Giorno per giorno' maar liefst zeventien strofen telt. Jammer is dat Cantore zich niet heeft gewaagd aan het suggestieve `Tu ti spezzasti', dat net als `Giorno per giorno' is gewijd aan de dood van Ungaretti's zoontje. Zeker, Il Dolore en Sentimento del Tempo hebben minder bijgedragen aan de adel van Ungaretti's dichterschap, maar ze bevatten ook gedichten die vanwege hun woordenrijkdom en hoge graad van complexiteit een vertaler voor veel meer problemen stellen dan Ungaretti's debuut, met zijn eenvoudige, concies weergegeven verzen.

Bovendien heeft de vertaler voor duidelijkheid, helderheid en verstaanbaarheid gekozen. Waar Ungaretti een voorkeur heeft voor het verdraaien van de syntaxis en een ongebruikelijke zinsvolgorde, daar laat Cantore je meestal niet lang zoeken naar het werkwoord en het bijbehorende onderwerp. Zelden veroorlooft hij zich een dichterlijke vrijheid door bijvoorbeeld een ongewenste maar daarom niet minder mooie allitteratie (`donkerder dauwt' voor `si brinerà di moro') te gebruiken of een geslaagd neologisme te introduceren (`wenteltrechter' voor `imbuto di chiocciola'). Maar Cantore's grootste verdienste is dat hij met deze voorbeeldig uitgegeven bundel Ungaretti in Nederland op de kaart heeft gezet. Eindelijk kan de dichternomade nu ook bij ons thuiskomen.

Giuseppe Ungaretti: De mooiste van Ungaretti. Vertaald en geselecteerd door Salvatore Cantore. Lannoo/Atlas, 159 blz. €15,–