Als baksteen geboren

Verschillende kunstenaars hebben zich bezig gehouden met de metamorfose van mens naar gebouw. ,,Als badhuis zou ik tenminste altijd een hete buik hebben.''

Iemand vroeg me welk dier ik het liefst zou willen zijn: een haas, een uil, een hert, spin, gier, nijlpaard, vlinder, leeuw, mus misschien? Dolfijn dan? Naaktslak? Chimpansee? Zebra, konijn, malariamug? Ik kon niet kiezen uit die overvloed aan mogelijkheden, ik werd stervensmoe bij de gedachte alleen al aan het rennen en vliegen en zwemmen en jagen en broeden dat voor me in het verschiet zou liggen. Dieren leken me teveel op mensen. Ik verlangde naar rust. Als het aan mij was zou ik veel liever een gebouw zijn dan een dier. Een volmaakt wezen van steen, hecht verankerd in de aarde. Zonder benen, zonder hart, zonder gedachten, geen maagzuur of tederheid meer.

Maar welk gebouw zou ik dan kiezen? In gedachten ging ik de gebouwen in mijn eigen stad, Amsterdam, langs. De Beurs van Berlage wellicht, (alleen in de ochtendvroegte, gezien vanaf het Damrak) of de Westerkerk, of toch het `schip' van Michiel de Klerk dat in de Oostzaanstraat opdoemt als een oceaankruiser. Bij dat laatste gebouw, een blok woningen plus school en postkantoor, een hoogtepunt van de Amsterdamse School, had ik twee jaar lang om de hoek gewoond. In die jaren had ik het gebouw geëerd door er elke dag omheen te lopen en ik kon inmiddels ook elk vurigbakstenen detail ervan dromen. Een nepkerktoren (!) die het blok het geruststellende aanzien van een dorpje moet geven. De uit baksteen gehouwen raven op de hoek van het postkantoor, hun snavels verminkt door jeugdige vandalen. De kegelvormige erkers die als halve eieren hier en daar uit de muren stulpen, het krankzinnige meester-metselwerk overal. De ritmisch briljante detaillering van de gevelwand aan de westzijde, die door de ondergaande zon tot leven gewekt wordt, zodanig dat de rode bakstenen wand een wal van gloeiende lava lijkt. Het was een gebouw met de kracht van een vulkaanuitbarsting, een leven, een liefde waard. Met één, maar wel een groot, nadeel: het stond thuis, in Amsterdam. En ik had een exotofiel verlangen, ik zocht juist naar een gebouw op een plek die verder weg was en vreemder, losgezongen van mijn huidige leven. `Het leven is iets anders, steeds ginds en verderweg / buiten jezelf, mijzelf, altijd een horizon,/ leven dat ons afleeft en vervreemdt,/ dat ons een gezicht bedenkt en dat verknoeit', schreef Octavio Paz. Merkwaardig hoe snel de ene wens, die van stilstand, kon leiden tot het andere uiterste, de wens om op reis te gaan. Maar beide zijn gouden dromen waar de werkelijkheid amper vat op heeft.

Ik ging op reis. Ik ging naar Istanboel. Het hotel waar ik verbleef had een dakterras vanwaar je een schitterend uitzicht over de hele stad had. Aan één kant kon je op een heuvel het Topkapipaleis zien liggen, een steengeworden tentenkamp dat de nomadische achtergrond van de islamitische heersers verried. Het lag verscholen tussen hoge bomen waarin reigers nestelden. De andere kant op lagen de Aya Sofia-kerk en de Blauwe Moskee in een woud van minaretten, boten voeren af en aan op de Bosporus en de Gouden Hoorn die de strakblauwe lucht weerkaatsten, een scheepshoorn loeide. In werkelijkheid overtrof Istanboel de voorstelling die ik me er jarenlang van gemaakt had. Opdoemend tussen water en lucht leek de stad een gelukkige hallucinatie te zijn.

Cornelis de Bruyn, een Nederlandse kunstenaar die rond 1680 anderhalf jaar in Istanboel verbleef, legde dit zinsbegoochelende panorama vast in een minutieus getekende prent van bijna twee meter lang, waarin geen cipres, geen minaret, geen enkele scheve deurpost aan zijn aandacht ontsnapte. De prent is momenteel te zien op een kleine tentoonstelling in het Teylersmuseum die gewijd is aan het verlangen naar de Oriënt. Een verlangen dat vooral in de 19de eeuw kunstenaars inspireerde. Delacroix en Ingres schilderden oosterse taferelen, de laatste liet zich totaal meevoeren door woeste fantasieën over het haremleven. Hij schilderde massa's naakte mollige vrouwen in badhuizen, die de schaamte voorbij leken te zijn. De trieste werkelijkheid, dat het haremsysteem op slavernij berustte, deed er blijkbaar noch voor de schilder, noch voor de toeschouwers toe. Op het vreemde werden alle onderdrukte verlangens geprojecteerd, alsof het een lonkend leeg filmdoek was.

Oriëntalisme werd zelfs mode. Café's en salons kregen een duizend-en-één-nacht inrichting, paleizen en ook fabrieken (zoals een sigarettenfabriek in Dresden) werden vermomd als moskee, compleet met minaretten. Het waren gebouwen als wensdromen die in het kille Noordeuropese licht nooit in vervulling zouden gaan.

De eerste nacht dat ik in Istanboel was, kon ik door alle indrukken die ik opgedaan had de slaap niet vatten. Om te kalmeren probeerde ik me de namen en de gezichten van iedereen die ik ooit gekend had te herinneren, al die engelen met roofdiertanden, maar ik kwam niet ver, mijn geest dwaalde af naar een windstille plek. Toen het eindelijk licht begon te worden klonk door het open raam de oproep tot gebed van de muezzin, die me loszong van mijn koeliewerk. De stad was in zilveren nevels gehuld die echter al snel in het vroege rozige zonlicht oplosten. Schoonheid, schoonheid, ik droomde met mijn ogen open. De dag begon pas echt met sterke thee, abrikozen in honing, yoghurt, walnoten, maanzaadbroodjes, feta, olijven, schijven komkommer en tomaat. Een volle maag is niets anders dan een kwestie van zelfverdediging. Dat is ook de reden dat er zoveel kookprogramma's zijn op tv; om je te wapenen tegen de overmaat aan slecht nieuws.

Toen ik Istanboel verliet had ik heel veel mooie gebouwen gezien. Paleizen, een enorme onderaardse wateropslagplaats met de allure van een paleis, moskeeën, torens en nog meer moskeeën. De meeste indruk echter had het Turkse badhuis vlakbij de drukke Divanyolustraat op me gemaakt. De Hamam werd in 1584 gebouwd voor de vrouw van sultan Selim II, naar een ontwerp van de beroemde architect Mimar Sinan.

Het gebouw kent aparte afdelingen voor mannen en vrouwen. Je betaalt, kleedt je uit, schudt de stad van je af. Een oude vrouw op slippers wijst je gedecideerd de weg.

Door kleine openingen in een hoge koepel valt het daglicht als laserstralen de in mist-sluiers gehulde badruimte binnen. Het is er heet. In het midden van de ruimte is een groot marmeren plateau dat warmgestookt wordt, waarop een aantal roerloze gestalten ligt, naakt en zwetend.

Om het plateau heen bevinden zich kleine, half afgescheiden compartimenten waarin het nog warmer is. Overal zijn fonteintjes waar je een bakje kunt vullen met koud water, dat je over je heen gooit. Alles is van rijk versierd marmer, behalve het murmelende water en de vrouwen.

Uit de mist doemt plotseling een dikke Turkse met deinende borsten op, die aanbiedt je te wassen en te masseren. Daartoe doet ze eerst een stuk zeep in een kussensloop en maakt slaande bewegingen alsof ze een zweep laat knallen. Op deze wijze maakt ze de zeep spectaculair aan het schuimen. Haar slachtoffer verdwijnt in een wolk van schuim, zodat de massage die volgt iets verholens heeft.

Meer dan vierhonderd jaar lang hadden vrouwen hier op dezelfde eenvoudige wijze een bad genomen. Terwijl ik langzaam gestoofd werd op het hete marmer moest ik denken aan dat voortdurende, roerend ijverige schoonschrobben van mensenvlees, keer op keer op keer tot de dag zou komen dat elke frisgewassenheid verloren moeite zou zijn. De dood is een stompzinnige grap die voor ieder mens nieuw is. Lach niet. Binnenkort ben jij aan de beurt. Of ik, evengoed. Waakzaamheid kan ons niet redden. We zullen verschaalde ogen hebben en stille liederen zingen: `O mijn tijd die gaat verloren, / moederlief, mijn tijd vliegt heen: / slapen wil ik niet alleen'.

Als badhuis zou ik ten minste altijd een hete buik hebben. En ik zou ook nooit meer iemands naam of gezicht vergeten. Gebouwen houden herinneringen langer vast dan mensen. Daarom bevestigen mensen voor de zekerheid gedenktekens aan gebouwen. Wie er ondergedoken gezeten heeft, uitheemse amoeben ontdekte of gedichten schreef zal niet licht vergeten worden, daar kun je gif op innemen.

De metamorfose van mens tot gebouw kom je vaker tegen bij kunstenaars. Louise Bourgeois, grande dame van de moderne kunst, een waar instituut, gebouw op zichzelf, tekende in de jaren veertig een vrouw wier bovenlijf in een huis veranderd is, wat je - naar gelang je overtuigingen - kunt zien als een commentaar op de netelige positie van huisvrouwen of als een menselijke variant op een slak. Niki de St. Phalle ontwierp in 1966 voor het museum voor moderne kunst in Stockholm een gebouw van achtentwintig bij negen meter en zes meter hoog, in de vorm van een vrouw, bij wie de bezoekers via haar kut naar binnen konden lopen. Zelf noemde St. Phalle het `de grootste hoer ter wereld'. En sinds zestien jaar werkt Mark Manders aan een serie installaties die hij een `zelfportret als gebouw' noemt. Manders zelf is het gebouw, de ruimtes die hij bouwt of inricht tijdens tentoonstellingen laten slechts fragmenten, afspiegelingen van hem zien. Hij hergebruikt vaak afgedankte voorwerpen voor zijn installaties, geeft ze een nieuw leven. Kapotte stoelen, fotootjes, minstens vijf miljoen afbeeldingen van het getal vijf, een keramisch beeld van een hondje dat op zijn zij ligt, een ordinair gebroken kopje waarvan de scherven zorgvuldig bijeen geraapt zijn als betrof het een archeologische vondst, een afgebrande lucifer, een wekker vol kiezelstenen, plattegronden van de kamers (waarop de plaats van elk beeld nauwkeurig aangegeven staat), architectonische modellen en meer. Zijn werk bestaat uit een gebouw dat alsmaar uitdijt, als een levend, hongerig organisme. Een mensmachine. Vaak zijn de beelden onderling verbonden door stukken touw, alsof ze een gesloten circuit vormen waarbinnen energie rouleert. Bloedbanen, zenuwbanen, gedachtenbanen, wensbanen. De inzet van Manders' werk is hoog. Indien het hem niet lukt om zijn gebouw te bezielen dan verklaart hij zichzelf ook ontzield. Onbewoonbaar. Dan is hij geen gebouw meer, maar een ruïne.

Het spijt me, maar ik ga nu een droom beschrijven of liever gezegd: vijf miljoen dromen tegelijk. Zelf sla ik droombeschrijvingen in verhalen altijd over, meestal staan ze zo bol van de symboliek dat je er misselijk van wordt. Om die reden zal ik het simpel houden: Mijn hele leven droom ik al van gebouwen. Toen ik jong was dacht ik niet dat ik heimelijk een prinses was, maar een paleisje. Het kan niet anders of ik ben als baksteen geboren.

Elke nacht weer slaapwandel ik door steden die inkrimpen en uitdijen als een kloppend reuzenhart. Een cakewalk. Amsterdam heeft ineens boulevards, ik sla een hoek om, ga een Romeinse steeg in waar het vocht langs de muren sijpelt, en kom uit op een zonovergoten Spaans plein. Nergens een mens te zien. Ik loop een gebouw binnen, wandel door koele gangen, ga een kamer in, kijk verlangend uit het venster naar een lege straat. En dan? Dan niets. Met een gevoel van gemis word ik wakker. Iemand die van dure woorden houdt zou het vermoedelijk melancholie noemen. Het is een melancholie die me doet denken aan de schilderijen van Giorgio de Chirico. Vanaf 1910 schilderde deze droomverkoper een aantal vrijwel verlaten stadsgezichten. Het zijn fantasiebeelden, samengesteld uit herinneringen aan steden waarmee De Chirico vertrouwd was; Turijn, Ferrara, het plaatsje Volos in Griekenland waar hij geboren werd. De gebouwen die hij schilderde hebben scherpe contouren, uitgesneden door de duivelse mediterrane zon.

Door een vreemd, vervormend perspectiefgebruik hebben zijn schilderijen (sommige kennen wel zes verdwijnpunten in plaats van één, zoals bij een `normaal' realistisch schilderij) iets dat het oog blijvend verontrust.

De zeer zeldzame mensen op zijn doeken zijn nietige figuurtjes, zo klein dat ik me afvraag of ik ze zelf verzonnen heb. Hun functie is slechts om de maat van een gebouw aan te geven. Veel meer dan hoopjes stof zijn ze niet, deze kleine daklozen. Nog even wachten en ze lossen voorgoed op in het zonlicht.

Het panoramische gezicht op Constantinopel (1680) van Cornelis de Bruyn is te zien op de tentoonstelling `Reizen naar de Oriënt' in het Boekenkabinet van het Teylersmuseum in Haarlem. T/m 20 okt. di-za 10-17 u., zo 12-17 u.