Partijverbod

Het verbieden van een politieke partij is meestal geen goed nieuws voor een democratie. In Spanje werd deze week Batasuna, de partij die geldt als het politieke verlengstuk van de Baskische terreurbeweging ETA, op een dubbele manier aangepakt. Als preventieve maatregel schortte Spanje's `superrechter' Baltasar Garzón strafrechtelijk alle activiteiten van de partij op omdat zij deel uitmaakt van de organisatie van de ETA. En het Spaanse parlement zette met een grote meerderheid een politieke procedure in werking die later dit jaar tot een definitief verbod van de partij moet leiden. Dit zijn vergaande maatregelen, die eigenlijk alleen maar hun rechtvaardiging kunnen vinden in de argumentatie dat het de democratie zelf is die door het voortbestaan van de partij in gevaar wordt gebracht. Batasuna is radicaal-nationalistisch, erkent de Spaanse grondwet niet, is van mening dat de Baskische regio `bezet gebied' is en streeft naar afscheiding van `Groot-Baskenland', een verzonnen natie die grofweg drie keer zo groot is als het huidige Baskenland en een flink stuk van Zuidwest-Frankrijk meepakt.

Nationalisten in het algemeen en Baskische nationalisten in het bijzonder mogen zichzelf graag een slachtofferrol aanpraten. Maar er is geen politicus in Spanje die serieus overweegt hun partijen om ideologische redenen te verbieden. Het feit dat de Batasuna-woordvoerders weigeren de terreur van de ETA te veroordelen, maakt deze partij weerzinwekkend, maar is nog geen reden haar te ontbinden. De grens ligt daar waar de democratische vrijheden worden gebruikt tot het aanzetten van haat of uitvoering van geweld, bedreiging, afpersing of discriminatie. Om die reden werd in Nederland enkele jaren geleden de extreemrechtse partij NVP/CP'86 door de rechter verboden. In Turkije werd de grote, fundamentalistische Welvaartspartij verboden omdat die opriep tot haat en heilige oorlog en de scheiding van kerk en staat ongedaan dreigde te maken. Het Europees Hof billijkte het partijverbod. In Algerije werd tien jaar geleden de eveneens fundamentalistische FIS verboden, grote winnaar van de verkiezingen destijds. Het verbod en de ontbinding van de partij konden het geweld van moslimextremisten niet stoppen – integendeel. Eens te meer bleek dat een partijverbod een uiterste middel is, waarvan de consequenties vaak dramatisch en nauwelijks te overzien zijn.

Ook bij Batasuna zijn haat en geweld gemeengoed. Als de aanhang tijdens partijbijeenkomsten of protestdemonstraties politieke tegenstanders uitmaakt voor `moordenaars' of `pief-paf-poef' achter hun namen scandeert, betreft het geen vrijblijvende politieke infantiliteit, maar reële doodsdreiging. De gemaskerde figuren die tijdens verkiezingscampagnes op het podium springen en worden toegejuicht, zijn professionele moordenaars. De partijkroegen vormen uitvalsbases waar de jongere aanhang de molotov-cocktails krijgt uitgereikt voor zijn zogenaamde straatoorlog, een oorlog waarvoor de politieke leiders van Batasuna publiekelijk hun volgelingen optrommelen. Ondernemers mogen hun `revolutionaire belasting', de afpersingsgelden van de ETA, afdragen aan het partijkantoor, blijkt uit onderzoek van rechter Garzón. Zijn bewijsvoering overtuigt: Batasuna vormt een essentieel onderdeel van het complexe ETA-netwerk. De partij is een instrument van de ETA, die haar al sinds jaar en dag controleert.

Naast de terreur van de ETA is het de ongestrafte wijze waarop een politieke partij openlijk en gericht geweld en haat tolereert die de democratie in Baskenland verstikt. Voorbeelden zijn er genoeg. Zoals dat van de socialistische burgemeester Ana Urcheguía van het stadje Lasarte, die bijkans werd gelyncht door een meute van honderden opgehitste Batasuna-aanhangers toen ze kwam kijken naar een partijtje pelota, Baskenlands favoriete sport. Of Consuelo Ordoñoz – zuster van een door de ETA vermoord raadslid in San Sebastián – die bij demonstraties na de dood van haar broer meerdere malen voor moordenaar werd uitgemaakt en door de Batasuna-aanhang met flessen werd bekogeld. Wie het voormalige Batasuna-blad Egin las, kon ongeveer zien wie op de dodenlijst van ETA stond. Als gevolg hiervan bewaakt een leger van duizenden lijfwachten niet-nationalisten – politici, journalisten, intellectuelen, kunstenaars – die ervoor gekozen hebben in hun geboortestreek te blijven. De niet-nationalistische partijen kampen door intimidatie met leegloop en tekorten op hun kieslijsten. Open debat is onmogelijk in Baskenland, dat nooit een zelfstandige natie is geweest, maar wel de meest vergaande autonomie kent die een regio of deelstaat zich in Europa kan wensen. Wie zijn mond opendoet, loopt een groot risico dat hij de Batasuna-knokploegen op bezoek krijgt.

Vaak is de vergelijking gemaakt met de IRA en de Sinn Feín. Die gaat niet alleen historisch mank. Want terwijl de leiders van Sinn Feín uiteindelijk een zekere speelruimte hadden voor het zoeken naar een compromis over een vreedzame oplossing, bestaat hiervoor geen enkele indicatie bij de politieke ETA-aanhang. Batasuna-leider Arnaldo Otegi ontbeert het charisma van Gerry Adams en is veeleer een nauwgezette uitvoerder van de slagorders van de ETA. Een dialoog met de radicale aanhang heeft in ruim 25 jaar democratie niets opgeleverd. Wie het niet eens is met de harde lijn kan ophoepelen.

Speelt een verbod de ETA niet in de kaart? Tot dusver gaf een politieke tak de terreurbeweging in Baskenland nog een schijn van legitimiteit. De tegenvraag luidt dan ook of een democratische rechtsstaat een partij kan tolereren waar het ergste geweld een consequent toegepast middel is. Het antwoord, dat uiteindelijk door de rechter zal worden getoetst, is nee.