Nawijn is niet de redder van vrouwen in nood

De voorstellen van minister Nawijn ter bescherming van allochtone vrouwen die door hun man worden mishandeld, gaan uit van onjuiste veronderstellingen. Ze zijn bovendien niet in het belang van de slachtoffers, vindt Sarah van Walsum.

Onlangs heeft minister H. Nawijn voor Vreemdelingenbeleid het voorstel gedaan om niet de buitenlandse slachtoffers van huiselijk geweld het land uit te zetten, maar hun mishandelende echtgenoten (NRC Handelsblad, 24 en 25 augustus). Het valt zonder meer toe te juichen dat Nawijn, in de voetsporen van de voormalige staatssecretaris voor vreemdelingenzaken Cohen, bereid is serieuze aandacht te besteden aan de positie van mishandelde buitenlandse vrouwen in Nederland.

Toch zijn er bedenkingen aan te voeren bij de door hem gemaakte voorstellen. Die zijn namelijk gebaseerd op een keten van impliciete en expliciete veronderstellingen die geen van allen kloppen, en die uitmonden in een schijnoplossing waarmee de betrokken vrouwen niet zijn gediend, en waarmee de discussie over integratie en immigratie in een bedenkelijke richting wordt gestuurd.

Zo stelde Nawijn tijdens een gesprek dat op 19 augustus werd uitgezonden op Nederland 2, dat zestig procent van het huiselijk geweld in Nederland voor rekening komt van allochtonen. Waar dit getal vandaan komt, is voor mij een raadsel. Uit al het onderzoek dat in Nederland is verschenen over huiselijk geweld, blijkt dat dit een wijdverbreid verschijnsel is dat zich in alle lagen van de bevolking voordoet.

Waarschijnlijk doelt Nawijn op het gegeven dat ruim de helft van alle vrouwen die zich bij opvanghuizen aanmelden, van allochtone afkomst is. Maar de vrouwen die in de vrouwenopvang terechtkomen vormen geen juiste afspiegeling van alle slachtoffers van huiselijk geweld in Nederland. Met name autochtone Nederlandse vrouwen hebben het opvanghuis niet meer nodig. Zij kunnen wel terecht bij vrienden en familie.

Een andere veronderstelling waar Nawijn kennelijk van uitgaat, is dat alle echtgenoten van mishandelde buitenlandse vrouwen van allochtone afkomst zijn. Maar ook autochtone Nederlanders trouwen met mensen afkomstig uit het buitenland. Recente cijfers van zowel het Centraal Bureau voor de Statistiek als de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) geven bijvoorbeeld aan dat bijna de helft van alle aanvragen om gezinsvorming met een partner uit een niet-westers land tegenwoordig voor rekening komt van autochtone Nederlanders. De mishandelende partner van een buitenlandse vrouw kan dus net zo goed autochtoon als allochtoon zijn.

Verder wekt Nawijn de indruk dat allochtone geweldplegers zonder meer het land uit kunnen worden gezet. Uit de reacties op zijn eerder voorstel om criminele jongeren van de tweede generatie uit te zetten, zal inmiddels duidelijk zijn dat ook dit een misvatting is. Slechts een enkele pleger van vrouwenmishandeling zal dus uiteindelijk in aanmerking komen voor de voorgestelde harde aanpak.

Hoe zit het dan met de beoogde bescherming van de slachtoffers? Tijdens het NOS-journaal van 26 augustus lichtte minister Nawijn dit aspect van zijn voorstel als volgt nader toe. Hij wil mishandelde buitenlandse vrouwen die van hun man scheiden eventueel een verblijfsvergunning geven, maar alleen als zij aangifte doen van mishandeling. Hiermee dreigt de bewindsman een zware hypotheek te leggen op een eventuele versterking van de rechtspositie van mishandelde buitenlandse vrouwen.

Zoals blijkt uit een reportage in het Zaterdags Bijvoegsel van NRC Handelsblad (24 augustus) heeft een buitenlandse vrouw die op grond van gezinsvorming of gezinshereniging naar Nederland is gekomen, veel belang bij een goede verstandhouding met haar schoonfamilie. Deze is doorgaans haar eerste en soms zelfs haar belangrijkste contactpunt met de Nederlandse samenleving. Binnen de hulpverlening tracht men dan ook het sociale netwerk van een vrouw te betrekken bij het oplossen van haar problemen, zodat een einde kan worden gemaakt aan het geweld zonder dat de vrouw in een sociaal isolement raakt.

Wanneer een vrouw ervoor kiest bij haar man weg te gaan, worden veel van haar sociale contacten op de proef gesteld. De onderlinge spanningen zullen er niet minder op worden wanneer zij ook nog beslist aangifte te doen. Bovendien zal zij in veel gevallen ook rekening moeten houden met de belangen van haar kinderen.

Al met al is het van groot belang dat een mishandelde vrouw in alle rust en vrijheid tot een weloverwogen beslissing kan komen over het wel of niet doen van aangifte. Hiervan kan geen sprake zijn wanneer een aangifte als voorwaarde wordt gesteld voor het krijgen van een verblijfsvergunning.

De voorstellen van Nawijn lijken eerder het belang van het openbaar ministerie te dienen dan dat van de betrokken vrouwen zelf.

Sarah van Walsum is onderzoekster migratierecht aan de vakgroep Staats- en Bestuursrecht van de rechtenfaculteit, Vrije Universiteit, Amsterdam.