KOST EN INWONING

Ook als gedichten niet over de dood gaan gaan ze meestal over de dood. Er bestaat veel concurrentie, dus moet de dichter iets doen om op te vallen. Alle manieren om op te vallen gaan ook weer op elkaar lijken, terwijl de dood de dood blijft en de liefde simpelweg de liefde, vandaar die enorme hoeveelheden clichés in liefdes- en doodsgedichten. Bijgaand gedicht De drievoudige dood is een uitwerking van een gegeven van de religieuze schrijver Julien Green, een tekst die Van Vriesland in de bundel als motto aan het gedicht meegaf. Dat is al een demonstratief herkauwen. Het beste dat we van De drievoudige dood kunnen zeggen is dat het in commissie iets anders over de dood wil beweren dan de gebruikelijke lamentatie en de snik aan de rand van de grafkuil. Verder blijft het vers een sofistische krul. De dood komt er in drievoud in voor, maar het raakt geen essentie. Het stemt ons zelfs een beetje sentimenteel jegens de dood.

Sterven, ontbinden, graf, afscheid mooie woorden, maar geen beeld. Geen geur. Geen schrik.

Ik moet even om een zweer uit mijn hoofd te bevrijden iets kwijt over een voetnoot die ik onlangs las. Het is waarschijnlijk de gruwelijkste literaire voetnoot van de eeuw. Het betreft voetnoot 74 in het boek Schillers Schädel van Albrecht Schöne (München, 2002). Schöne vertelt hoe in 1970 de sarcofaag van Goethe in de (toen nog) socialistische heilstaat Oost-Duitsland werd geopend, waarbij men Goethes kadaver in een `volstrekt onwaardige' toestand aantrof. Er werd besloten tot `maceratie' van het lijk, een soort inweek- en afschraapbehandeling die hoe kan het anders in Duitsland punctueel werd geprotocolleerd, met foto's en al. `Sonderakte Mazeration Goethe.' In het jaar 2000 was Schöne de eerste buitenstaander die in de gelegenheid werd gesteld een blik op deze foto's te werpen.

Het `Goethe-Bild' is in de Duitse cultuur iets heiligs. Zou deze toevoeging aanleiding geven tot nieuwe mythes? Schöne onderbreekt zijn verslag met de opmerking dat hij `in klein gedrukte letters' helderheid over de kwestie wil verschaffen. Zelden zal een voetnoot zo opvallend zijn weggemoffeld.

In de nu al historische voetnoot 74, een noot die meerdere bladzijden in beslag neemt, staan zinnen als: ,,De volledig met aaskeverlarven bedekte schedel (...). De foto (Nr. 1, `Hoofd en deel van borst onmiddellijk na opening van sarcofaag') toont borstbeeld van de op zijn rug liggende dode. Een korst van zelf allang geleden gecrepeerde insecten bedekt het aangezicht naadloos, alleen grote zwarte oogholten en de lichtjes openstaande mond vrijlatend. Haarscherp geven (en face) de korsten de vorm weer van de schedel die deze metamorfose heeft ondergaan. Het beeld herinnert me, ik kan uit mijn optische herinneringen geen ander beeld ter verduidelijking te hulp roepen, aan de houten stammen van halfvergane golfbrekers, zoals die bij eb uit zee opduiken: geheel bedekt met mosselschelpen. (...) Het doet in iconografisch opzicht denken aan een van die maniëristische schilderijen van Arcimboldi (...) Het bovenlichaam en beide armen van het lijk zijn in een doodshemd gehuld, dat op deze foto wit en zijdeachtig glanst, bestikt met glasparels. En boven het ontzaglijke hoofd de lauwerkrans die ze de dode meegaven in de lijkkist...''

Sah ein Knab' ein Röslein stehn,

Röslein auf der Heiden,

War so jung und morgenschön

,,Ongetwijfeld'', merkt Schöne nog op, ,,zal dit beeld op zekere dag in de openbaarheid gebracht worden. Het zal ons Goethe-beeld voorgoed veranderen, niet alleen het visuele.''

De terugwerkende kracht van gruwel en verval.

Bij zo'n verhaal heb je het idee de dood dichter op de huid te zitten dan bij alle minzame dichterswoorden. Na zo'n

verhaal klinkt De drievoudige dood extra braaf

Eerst sterven we in het vlees. Onder de grond

Valt ons lichaam langzaam uiteen

jawel, het klinkt nuchter genoeg als constatering, maar van poëzie verwacht je detail en huivering. Zoals in Voetnoot 74 alles focus is, zo is in dit gedicht alles vervaging. Etappegewijs verdwijnt de dode uit zicht. Dat er aan het eind nog een vergelijking met een wuivende hand wordt gemaakt ervaren we eigenlijk als gekunsteld. Het beeld komt ineens te dichtbij, terwijl we juist aan het uitzoomen waren.

Dit soort gedichten is hopeloos ouderwets geworden. Meer dan een gedachtegang op rijm, een wandspreuk in keurige sonnetvorm is het niet. Ook de dichter zelf is inmiddels volkomen uit zicht geraakt. Ooit was hij een indrukwekkende mandarijn en zeker anderhalf uur lang de Nederlandse Goethe. Zijn derde dood de dood in het geheugen werd alleen door ons vandaag nog even uitgesteld.