Europese variant van het kapitalisme is nog zo slecht niet

Het `Rijnlandse' model is een goede remedie tegen frauderende topbestuurders, meent Hans Hautvast.

Nadat ING-topman Kist onlangs vol trots de halfjaarcijfers had gepresenteerd, pleitte hij voor de camera's van het NOS-journaal voor politiek topoverleg tussen Europa en Amerika. De directe aanleiding vormde de recente anti-fraudewetgeving in de Verenigde Staten, die de ruim veertig Nederlandse ondernemingen met een Amerikaanse beursnotering rechtstreeks treft. Niemand van hen had kunnen vermoeden dat hun oversteek zou kunnen eindigen met de dreiging van jarenlange gevangenschap. Advocaten en accountants maken overuren om de gevolgen voor de Nederlandse bedrijven in kaart te brengen.

Het pleidooi van Kist is opmerkelijk, want doorgaans willen bestuursvoorzitters van beursgenoteerde bedrijven slechts dat Europa een voorbeeld neemt aan de veel striktere Amerikaanse regels voor corporate governance. Het is merkwaardig dat juist in het land waar de beursregels al strenger zijn dan elders, de schandalen met frauderende topbestuurders zich opstapelen. Verdere aanscherping van de regels van toezicht is daarom niet automatisch de beste remedie.

Hoewel de teneur van de commentaren alhier op de jongste ontwikkelingen in de VS niet overlopen van enthousiasme, ontbreekt toch een duidelijke alternatieve visie. Als het gaat om de inrichting van de onderneming lijkt Amerika ook in deze tijd gidsland en lijken de Europese traditie en inzichten op dit punt irrelevant. Heeft Kist echter geen gelijk door impliciet te stellen dat we moeten ophouden met eenzijdig naar Amerika te kijken?

Toen begin jaren negentig het communisme definitief in elkaar stortte, leek in de wereld nog slechts plaats voor één dominante maatschappelijke orde: de kapitalistische. In zijn boek Capitalisme contre capitalisme schetste de Franse ex-verzekeraar Michel Albert echter een toekomstbeeld van een nieuwe strijd om de wereldhegemonie: het `neo-Amerikaanse' tegen het `Rijnlandse' kapitalisme. Hoewel de laatste term bekendheid kreeg als typering voor de Noord-Europese sociaal-economische orde, ontsnapte zijn boek grotendeels aan de aandacht – wellicht omdat de strijd van aanvang af al ongelijk was.

Albert schetste het Rijnlandse model als superieur aan het neo-Amerikaanse, maar de werkelijkheid leek al spoedig tegenovergesteld. Terwijl Europa nog worstelde met de economische naweeën van de jaren zeventig en tachtig, waren de VS bezig met een ongekende opmars. De geweldige dynamiek van de Amerikaanse economie boezemde Europa ontzag in, en de visie van Albert leek slechts een oprisping van Frans chauvinisme in continentale verpakking.

Benadrukt de Europese wetgeving meer het maatschappelijke karakter van de onderneming, in de VS wordt de onderneming vooral gezien als bron van inkomsten. De ondernemer dient een zo groot mogelijke toegevoegde waarde te creëren, waar vervolgens ook alle andere betrokkenen (aandeelhouders, werknemers, maatschappij) van profiteren. Persoonlijk gewin is daarbij een zeer geaccepteerde drijfveer. De ontsporing van de laatste jaren is overigens vooral het gevolg van het feit dat de aandeelhouderswaarde van een belangrijke indicator uitgroeide tot de enige echte indicator voor het succes van de onderneming.

In het Amerikaanse denken zijn de aandeelhouders nog steeds de eigenaren van de onderneming en de Amerikaanse wetgeving is er vooral op gericht hun eigendomsrechten veilig te stellen. Kern van het Rijnlandse denken is, dat het ondernemingsbestuur met meer belangen rekening dient te houden. De waarde van dit denken wordt actueel als we kijken waar het eenzijdige denken van het shareholder-kapitalisme toe heeft geleid. Het ondernemingsbestuur dient zodanig vorm te krijgen dat alle betrokken belanghebbenden in gelijke mate toegang hebben tot dit bestuur – een stelsel van checks and balances, waarbij deels strijdige belangen elkaar in evenwicht houden en ontsporingen kunnen tegengaan. Als hebzucht de grootste drijfveer blijkt van topondernemers, dan is het ook niet vreemd om achterdocht en jaloezie in te zetten als countervailing powers. Een georganiseerde dialoog binnen de onderneming, die in Nederland bijvoorbeeld gestalte kan krijgen in de verplichtingen die een ondernemer ten opzichte van zijn ondernemingsraad heeft, kan een al te ver doorschieten in één richting voorkomen. Het toezicht door een onafhankelijke, maar bij de onderneming betrokken raad van commissarissen kan ook voldoende tegengas geven.

Het heeft er echter alle schijn van dat het Rijnlandse denken, zeker in Nederland, flink de aftocht heeft moeten blazen in de afgelopen jaren. Steeds vaker worden raad van commissarissen en ondernemingsraad afgeschilderd als typisch Nederlandse obstakels, die ons aanzien in de wereld van grote investeerders schaden. De mondialisering zou leiden tot uitholling van het bestaansrecht van dit soort organen.

Natuurlijk moeten we ook de ogen niet sluiten voor de keerzijde van dit stelsel: veel tijd voor overleg en `stroperige' besluitvorming, maar daarmee hoeven niet meteen de uitgangspunten die aan de instelling van deze instituties ten grondslag hebben gelegen, weggevaagd te worden. De morele crisis die de economie thans teistert zou aanleiding moeten zijn om het debat over de inrichting van onze economische orde weer te doen opleven. Voorlopig lijkt het erop dat excessen met een omvang als in Amerika, in Europa niet voorkomen. Europeanen zijn immers gewend vanuit verscheidene gezichtspunten naar ondernemingen te kijken.

Paars heeft op dit punt nog een erfenis nagelaten: het wetsontwerp over de samenstelling van de raad van commissarissen bij structuurvennootschappen en ook de belofte van ex-minister Melkert tot evaluatie van de Wet op de ondernemingsraden. Niets wijst er echter op, dat beide onderwerpen, in het licht van bovenstaande extra actueel, voortvarend en met visie worden opgepakt.Toch is het te hopen dat beide worden aangegrepen als startpunt voor een vernieuwde discussie over de gewenste inrichting van ons bedrijfsleven, gericht op een versterking van de rol van beide, typisch Rijnlandse instituties.

Drs. Hans Hautvast is directeur Medezeggenschap en Arbeidsvraagstukken bij een organisatieadviesbureau.