Bevlogen

Politici komen en gaan, de ambtenaar blijft altijd bestaan. Maar wat denkt die ambtenaar van `zijn' politici? Dat kom je doorgaans niet aan de weet, de ambtenaar moet op zijn woorden passen. Maar gisteren, bij de onthulling van een klein monument ter ere van PvdA-wethouder Jan Schaefer in het gebouw van de Stedelijke Woningdienst van Amsterdam aan de Jodenbreestraat, kon er vrijuit worden gepraat.

Schaefer is nu alweer acht jaar dood. Kunstenaar Berend Strik heeft een fraaie poging gedaan hem digitaal te laten voortleven. Wie voortaan de lift van de Woningdienst instapt, ziet in de hoek een kastje met een beeldscherm, waarop Schaefer in een animatiefilm over zijn woningbouwbeleid praat, terwijl zijn projecten achter hem langs flitsen.

Eén beroemd citaat is daarbij niet te horen, omdat het niet op band is teruggevonden: ,,In gelul kun je niet wonen.'' Het was zijn manier om zijn ongeduld over nota's en commissietaal te tonen. Er bestaat ook de variant `In geouwehoer kun je niet wonen', die ook door Schaefer zelf gebezigd zou zijn, maar de Schaeferianen waren het er snel over eens dat de eerste uitspraak de kernachtigste is en daarom het meest bij hem past.

Toen zoon Remco naar voren stapte om de onthulling te verrichten, kreeg ik een schokje van herkenning. Hetzelfde postuur, dezelfde vorm van het hoofd, alleen de oogopslag zachtmoediger.

Schaefer was in Amsterdam van 1978 tot 1986 een dadenrijk wethouder van volkshuisvesting en stadsvernieuwing. Daarvoor was hij in het kabinet-Den Uyl vermaard geworden als staatssecretaris van Volkshuisvesting. Ik leerde hem in zijn nadagen kennen. Hij leed aan zware suikerziekte en lag op een kamer in het AMC. Hij wilde graag een interview geven over het project van de sociale vernieuwing, waarvoor minister Dales hem had ingeschakeld.

Maar het interview lukte niet. Hij bleef te veel hangen in abstracties en kon me niet duidelijk maken wat precies de bedoeling was. Ik besefte dat de leeuw al bijna was geveld. Het resultaat was gebrul waarin niemand meer kon wonen. Het had iets tragisch. Hij wilde nog zo graag, maar de materie ontglipte hem.

Dat was niet de Jan Schaefer waar gisteren met heimwee aan werd teruggedacht. Hij zou het antwoord op Fortuyn hebben geweten, werd gezegd. Hij, ooit bakker van beroep, sprak de taal van de gewone man en hij was een bevlogen politicus. Hij eiste veel van zijn ambtenaren. De ingewikkeldste kwesties wilde hij teruggebracht zien tot twee A-viertjes, waarover hij precies de goede vragen stelde.

Hij vroeg vaak aan zijn ambtenaren: ,,Wat is het: beleid, of is erover nagedacht?'' Wie `beleid' zei, kreeg te horen: ,,Sodemieter op, ik wil dat erover wordt nagedacht.''

Een man met een scherp verstand en een voortreffelijk geheugen. ,,Een betere bestuurder heeft Amsterdam na de oorlog niet gehad, je kunt hem vergelijken met een voorganger als Wibaut.'' De ambtenaar die me dat zei, had lang met hem samengewerkt. Hij leek hem nog steeds te missen.