Belegger is beter af zonder hulp van de staatssecretaris

`Don't tax you, don't tax me; tax the fellow behind the tree.' Zo typeerde de Amerikaanse senator Russell Long in de jaren tachtig de besluitvorming bij belastingherzieningen. Staatssecretaris Van

Eijck werpt zich nu op als belangenbehartiger van de beleggers die hij achter de bomen ziet verkommeren. Hij wil de pas vorig jaar ingevoerde vermogensrendementsheffing nu al opnieuw ter discussie stellen. Deze regeling voorziet in een belasting van 30 procent over een fictief rendement van 4 procent op het vermogen, ongeacht hoeveel daarmee werkelijk werd verdiend.

Het alternatief waar Van Eijck aan denkt, een belasting over daadwerkelijk behaalde vermogenswinsten, zullen die beleggers echter nog veel onsympathieker vinden. Bovendien zal zo'n belasting aanzienlijk moeilijker uitgevoerd kunnen worden door de Belastingdienst, terwijl de opbrengst voor de overheid veel wisselvalliger zal zijn dan die van de huidige heffing. Alleen de aangifte-industrie en financiële planners, aan wie Van Eijck vóór zijn huidige functie trainingscursussen verkocht, zouden gebaat zijn bij een dergelijke gecompliceerde heffing.

Ook onder het stelsel dat gold tot 2001 kon een belegger worden belast voor inkomsten terwijl hij dat jaar er per saldo niet op vooruit was gegaan. Daadwerkelijk ontvangen dividend en rente werd belast, maar ook toen werd geen rekening gehouden met koerswinsten- of verliezen. In zoverre is er helemaal niets nieuws onder de zon. De meeste landen die vermogenswinsten belasten, doen dat tegen een verlaagd tarief. Koerswinst wordt niet gelijkwaardig geacht aan minder onzekere inkomsten zoals rente. Dat maakt het voor de wetgever nodig een scherp onderscheid te maken tussen vermogenswinsten en andere gewone inkomsten. In een vermogenswinstbelasting ontkomt men er voorts niet aan ook op enigerlei wijze rekening te houden met koersverliezen; de rekening daarvoor wordt aan de fiscus gepresenteerd.

Uitgaande van een bescheiden tarief van 25 procent en van een conservatief geschatte gemiddelde koerswinst van 6 procent per jaar zouden aandelenbeleggers op lange termijn al slechter af zijn dan met het huidige systeem, waarbij jaarlijks 1,2 procent van het vermogen wordt geheven. Het vereiste onderscheid tussen koerswinst en andere inkomsten zal, net zoals onder het oude stelsel waarin koerswinst in feite tegen een tarief van 0 procent werd belast, leiden tot een nieuwe populariteit van financiële producten waarmee rente wordt herverpakt als koerswinst. Voorbeelden zijn renteloze obligaties die met korting worden uitgegeven en a pari worden afgelost en aandelen waarop de belegger een put-optie koopt en tegelijkertijd een corresponderende call-optie verkoopt.

De controle van de miljoenentransacties waarmee vermogenswinst wordt behaald zal een veel grotere inspanning vergen van de Belastingdienst en leidt tot het risico van een volstrekt willekeurige behandeling van belastingplichtigen. En het verdisconteren van koersverliezen versterkt het cyclische karakter van een vermogenswinstbelasting. Als nu al een vermogenswinstbelasting zou bestaan waarin met die verliezen rekening wordt gehouden, was het begrotingstekort nog veel groter geweest dan thans al het geval is.

Al deze overwegingen zijn bij de parlementaire behandeling van de Wet op de inkomstenbehandeling 2001 uitvoerig aan de orde gekomen.

De toenmalige bewindslieden Zalm en Vermeend overtuigden toen niet alleen hun partijgenoten, maar óók het CDA. Het valt niet in te zien waarom het vermeende leed van de beleggers dat Van Eijck waarneemt weer een nieuwe discussie, laat staan een nieuwe, radicale stelselwijziging, zou rechtvaardigen.

Mr. M. Romyn is verbonden aan Ernst & Young Belastingadviseurs.