Zwijgrecht

Minister Heinsbroek (Economische Zaken) wil een speciale marketingcampagne om de mensen weer normen en waarden bij te brengen. Zullen we eens beginnen met een fundamentele waarde? De fractie van de LPF, de partij van Heinsbroek, overweegt een initiatiefvoorstel in te dienen om het zwijgrecht van een verdachte in strafzaken af te schaffen. Directe aanleiding is het hardnekkige zwijgen van Volkert van der G., die vastzit op beschuldiging van de moord op Pim Fortuyn.

Dat zwijgen is een serieuze bron van zorg, ook al is een verklaring van de verdachte juridisch-technisch gesproken niet per se vereist voor een eventuele veroordeling. Er kan genoeg ander bewijs blijken te zijn. Maar juist in het geval van de moord op een politicus – een schokkende en ongehoorde gebeurtenis – is er een meer dan normaal belang mee gemoeid dat de verdachte enig uitsluitsel geeft. Hoe zwaar dat ook telt, het is nooit goed de wet te willen veranderen wegens een enkele verdachte. Zeker nu Van der G. bij monde van zijn advocaat te kennen gaf dat hij op enigerlei moment in het proces, dat nog niet echt begonnen is, nog met een verklaring kan komen. Dit proces moet een eerlijke kans krijgen.

De wet die het LPF-Kamerlid Schonewille wil veranderen dient een groter belang dan de berechting van de moord op Pim Fortuyn. Het wordt in allerlei landen, waaronder de Verenigde Staten, als in strijd met de menselijke waardigheid beschouwd iemand die terecht moet staan te verplichten een verklaring af te leggen. Een getuige moet dat toch wel? Ja, maar zijn persoonlijke vrijheid staat niet op het spel. Bovendien is de waarde van een afgedwongen verklaring hoogst twijfelachtig.

Het zwijgrecht van de verdachte is volgens Schonewille niet meer van deze tijd. Dat getuigt van grondig historisch inzicht. In de Republiek van de Verenigde Nederlanden was het inderdaad anders – compleet met de pijnbank. Deze is bij de Bataafse revolutie van 1798 afgeschaft, al is de antwoordplicht van de verdachte formeel tot 1886 in stand gelaten. Het werd aan de rechter overgelaten ,,passende maatregelen'' te nemen tegen de zwijgende verdachte. In 1802 werd deze geconfronteerd met een zekere Hendrik Jansen, die ook maar iets weigerde te zeggen over de moord op zijn vrouw waarvan hij werd beschuldigd. De rechter liet hem ranselen met de bullepees. Niet om een bekentenis te krijgen, zo werd daar nogal hypocriet bij gezegd: hij mocht ook ontkennen. Onder deze dwang bekende Janssen uiteindelijk toch en werd veroordeeld tot het schavot. Daar stribbelde hij zo tegen dat de ,,onthalzing'' in arren moede werd vervangen door ophanging. Maar dit terzijde.

Het recept-Schonewille anno 2002 is subtieler: hij vindt dat de rechter het zwijgen van de verdachte moet kunnen laten meewegen bij een veroordeling. Dit werd vooruitlopend op de ontboezeming van het LPF-Kamerlid – maar wél na de opzienbarende verkiezingswinst van de Lijst Pim Fortuyn – ook al bepleit door de president van het gerechtshof Amsterdam, Schippers, in zijn rede als voorzitter van de Nederlandse Juristenvereniging op 14 juni. Het ging hem niet zozeer om het grondrecht dat eenieder, ook Volkert van de G., voor onschuldig wordt gehouden tot zijn schuld wettelijk is bewezen, maar om het respect voor het slachtoffer en het publiek.

Schippers voelde wel dat dit gevaarlijk terrein was. Hij zei nadrukkelijk dat hij sprak op persoonlijke titel en dat hij in zijn rechterswerk zonder meer de geldende wet zou toepassen. Deze verbiedt de strafrechter het gebruik van het zwijgrecht door de verdachte te laten meetellen. Vormt deze persoonlijke stellingname op een wetenschappelijke bijeenkomst een diskwalificatie van zo'n vooraanstaande magistraat? Natuurlijk niet. Maar het is wel de vraag hoe justitieel Nederland omgaat met het gedachtegoed van de LPF. De voorzitter van de nieuwe Raad voor de Rechtspraak, Van Delden, vroeg zich aan de vooravond van het proces-Fortuyn openlijk af of het wel verstandig was dat een van de rechters in de zaak lid van de Partij van de Arbeid was. Een punt dat het LPF-Kamerlid Hoogendijk had opgeworpen, hoewel hij daar ondanks de `nieuwe politiek' niet over gaat. Dat had Van Delden ook kunnen zeggen.

De onbezonnen interventie van Hoogendijk en nu weer het plannetje van Schonewille zijn, net als de makkelijke uitspraken van LPF-minister Nawijn (Vreemdelingenzaken) over het verbannen van jonge Marokkaanse criminelen, af te doen als losse flodders. Politieke signalen naar een achterban die duidelijk gedesillusioneerd aan het raken is. Ze lossen de werkelijke problemen niet op. Beter is het de onrustige achterban eraan te herinneren dat elementaire rechtsbeginselen, zoals onafhankelijke rechters en het zwijgrecht van burgers, van belang zijn voor iedereen.