Kabinet gaat slordig om met pensioenstelsel

Met afschaffing van de lijfrenteaftrek en de spaarloonregeling ontneemt het kabinet consumenten de kans om op eenvoudige wijze te sparen voor een betere oudedagsvoorziening, meent Carlo de Swart.

Aan de lijst van financiële tegenvallers waarmee het kabinet-Balkenende wordt geconfronteerd, moet er nog één worden toegevoegd. Aangenomen wordt namelijk dat afschaffing van de basislijfrenteaftrek een bezuiniging van 300 miljoen euro oplevert. Ramingen van de verzekeringsbranche wijzen echter uit dat de besparingen veel lager uitvallen, terwijl de schatkist in een later stadium nog eens vele miljoenen aan belastinginkomsten misloopt.

Behalve de lijfrenteaftrek wil het kabinet over de rug van miljoenen werknemers ook de spaarloonregeling afschaffen en de jaarlijkse pensioenopbouw verlagen. Het is daarom de hoogste tijd voor een fundamenteel pensioendebat.

Toegegeven, het schrappen van met name de basisaftrek is een tegenvaller voor verzekeraars. Ze kunnen simpele, populaire producten niet meer verkopen, wat omzet scheelt. Maar vooral telt dat consumenten de mogelijkheid wordt ontnomen om op eenvoudige wijze te sparen voor een betere oudedagsvoorziening.

Uit onafhankelijk onderzoek dat het Verbond van Verzekeraars heeft laten uitvoeren, blijkt dat vijf miljoen mensen een pensioengat hebben. Zij kunnen dus ook na het afschaffen van de basislijfrente vaak zelfs meer dan 1.000 euro per jaar blijven aftrekken. Maar zij, en hun adviseurs, worden wel veroordeeld tot een moedeloos makende administratieve rompslomp en veel kosten om dat te bewijzen.

Want de overheid suggereert wel dat het bepalen van een pensioengat eenvoudig is, maar de eisen die de belastingdienst stelt zijn zodanig, dat het in de praktijk uiterst lastig is om een pensioentekort aan te tonen. Terwijl transparantie voor de burger en eenvoud bij het wegwerken van een pensioengat toch voorop zouden moeten staan.

De opbrengst van 300 miljoen euro die het kabinet nu inboekt door de basisaftrek af te schaffen, klopt niet. Tachtig procent van de mensen zal nog steeds minstens het bedrag van de basisaftrek kunnen blijven aftrekken, omdat ze een aantoonbaar pensioengat hebben. Hierdoor valt de besparing voor de schatkist lager uit. Hoeveel lager, hangt af van het aantal mensen dat de hoge horde van de ingewikkelde fiscale bewijslast wil en kan nemen. Het kabinet hoopt klaarblijkelijk dat dit aantal te verwaarlozen is, gezien de optimistisch hoge besparing die wordt ingeboekt.

De besparing is ook nog eens relatief, want op termijn leidt ze tot minder belastingopbrengsten. Van iedere euro fiscaal voordeel van de lijfrentepremie ontvangt de overheid namelijk op termijn gemiddeld 75 eurocent terug. Het is een besparing ten koste van toekomstige belastingopbrengsten. Dat zou je potverteren kunnen noemen.

Nog een ander aspect. Toen het nieuwe belastingstelsel tot stand kwam, zijn verzekeraars, onder meer in ruil voor het administratieve gemak van een ongetoetste lijfrenteaftrek, ongeveer 270 miljoen euro extra vennootschapsbelasting gaan betalen. Als die regelingen alsnog sneuvelen is het niet meer dan fatsoenlijk die kostenpost terug te draaien.

Dan het spaarloon. Ook dat was bij de invoering bedoeld om mensen te stimuleren zelf iets te doen aan een aanvullende oudedagsvoorziening. Meer dan drie miljoen mensen maken van deze regeling gebruik en het kabinet verwacht van het afschaffen ervan dan ook een forse bezuiniging: 800 miljoen euro per jaar. De werknemers betalen het gelag: concreet kost het afschaffen van de spaarloonregeling iedere Nederlander jaarlijks 300 euro netto. Verder blijkt uit onderzoek dat – evenals bij de basisaftrek – bepaald niet alleen `de rijken' van de spaarloonregeling gebruikmaken. De helft van de deelnemers heeft een inkomen beneden de ziekenfondsgrens. Van de mensen die gebruikmaken van de lijfrenteaftrek voor een aanvulling op hun pensioen, gebruikt tweederde het spaarloon als financieringsbron.

De spaarloonregeling stimuleert het nemen van verantwoordelijkheid voor de eigen oude dag. In het licht van de zorgen rondom de betaalbaarheid van de AOW in de toekomst vanwege de vergrijzing, en de financiering van de aanvullende pensioenen, is dat geen overbodige luxe. Afschaffing van deze stimulans onder druk van actuele begrotingsproblemen is korte-termijnpolitiek.

Een volgende angel in het strategisch akkoord is het plan om de pensioenopbouw te verlagen van 2 naar 1,75 procent per jaar. Mensen worden daardoor gedwongen om langer te blijven werken. Wederom een snelle en bijna onopgemerkte beperking van de mogelijkheden om voor later te zorgen.

Om in te spelen op de tijdgeest wil het kabinet nu een levensloopverzekering introduceren. Zo wil het de arbeidsparticipatie van ouderen bevorderen en mensen op jongere leeftijd in het `spitsuur van hun leven', waarin de grootste arbeidsdruk samenvalt met de grootste druk in gezinsverband, de mogelijkheid geven af en toe verlof op te nemen. Een sympathiek streven waarin wij goede mogelijkheden zien. Maar niet, zoals nu de opzet is, ten laste van reeds opgebouwd of nog op te bouwen pensioen.

Het gevaar is dat het verlof op relatief jeugdige leeftijd zo onevenredig veel kost dat de pensioenopbouw en de latere pensioenuitkering in de knel komen. Daarnaast sluit het karakter van collectief opgebouwde pensioenvoorzieningen niet aan bij individuele keuzes en de wens van werknemers zich niet hun hele leven te willen binden aan één bedrijf of branche.

Verzekeraars en hun klanten hebben de afgelopen 10 jaar, inclusief de thans voorliggende plannen, drie belangrijke belastingherzieningen over zich heen gekregen. Wettelijke regelingen, waarop mensen hun toekomst dachten te kunnen baseren, werden binnen de kortste keren weer afgeschaft.

Fiscale maatregelen die de houdbaarheid van een pak melk hebben, leiden tot onzekerheid en apathie. Zij stimuleren zeker niet dat mensen verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen oude dag. Het maatschappelijk probleem is dat tegen de tijd dat mensen zien wat zij als 65-plusser in handen krijgen, zij niet meer in staat zijn om daar wat aan te doen. De rekening daarvan zal uiteindelijk bij de overheid en bij toekomstige generaties terechtkomen.

Het wordt daarom tijd dat het kabinet een fundamenteel debat over het pensioen van de toekomst aanzwengelt en dat gezocht wordt naar alternatieven voor het behoud van een fatsoenlijk pensioen. De Nederlandse oudedagsvoorzieningen zijn, ook in Europees verband, altijd een voorbeeld geweest van een degelijk, toekomstgericht stelsel. Die positie nu onder kortetermijnbegrotingsdruk in de waagschaal stellen, is zeer onverstandig.

Carlo de Swart is voorzitter van het Verbond van Verzekeraars.