De slag om de Bretonse menhirs

Parijs wil een deel van de karakteristieke menhirvelden in Bretagne gaan exploiteren als toeristische trekpleister. De traditionele pachters moeten wijken, maar voelen daar niets voor.

Nadat zijn hond de schapen achter het hek onverhoeds de stuipen op het lijf heeft gejaagd, vat boer Guy Mary het probleem nog eens samen: ,,Zij zijn bij ons op bezoek, wij niet bij hun. Zelfs de hond weet dat.'' Grinnikend biedt hij zicht op de paar resterende tanden in zijn mond. Zijn vrouw Céline slaat zich op de dijen van de pret om ieder woord van haar man. Hij maakt de schapen uit voor `ambtenaren': ,,Ze staan de hele dag in de schaduw en voeren geen klap uit.'' ,,Hij kan het weten'', verzekert Céline, terwijl ze naar adem happend uitlegt dat haar man net met pensioen is, na een leven lang in dienst te zijn geweest bij de plantsoenendienst van Carnac.

Maar hij is ternauwernood teruggekeerd naar het moestuintje naast hun boerderijtje of ze wordt ernstig. Ja, ze lachen wat af samen, maar dat is dan ook de enige manier om er niet onder door te gaan. Trouwens, de schapen zijn ambtenaren. Ze zijn eigendom van de Franse staat en onderhouden, al grazend, de velden rond de boerderij van de Mary's. Dat is pas sinds kort, de ermee verband houdende ellende begon al twaalf jaar geleden. Haar man, zwaar hartpatiënt, lag in het ziekenhuis. Ze durfde hem de krant, waar het bericht in stond, niet te tonen. Het Ministerie van Cultuur had het plan bekendgemaakt om honderdvijftig hectare grond nabij de wereldberoemde, zesduizend jaar oude menhirs rondom het Bretonse Carnac aan te kopen en van het hele gebied vier kilometer lang met in totaal bijna drieduizend stenen – een van staatswege geëxploiteerde toeristentrekpleister te maken. De twee eeuwen oude boerderij van de Mary's, La Petite Métairie, tien hectare groot, staat midden tussen één van de voornaamste menhirformaties, de zogeheten alignements de Kermario, met meer dan duizend rechtop in het gelid staande stenen.

De Mary's, die in een paar bijgebouwtjes een goedlopend pannenkoekenhuisje en een souvenirwinkeltje hebben gevestigd, moesten dus weg. Maar pas deze zomer bracht de gevreesde Etat tentaculaire de staat met de alles in de greep houdende tentakels een bod uit op La Petite Métairie.

Het is de eerste stap naar onteigening en de voorlopige slotsom van taaie juridische touwtrekkerij tussen `Parijs' en de vereniging `Menhirs Libres', waarvan de Mary's de harde kern vormen. Guy, die op zijn ziekbed toch lucht had gekregen van het ontruimingsplan, was volgens Céline ,,meteen'' in het verzet gegaan. Zijn voorouders weidden de koeien nog tussen de stenen, ze verbouwden er hun aardappelen daar zijn nog foto's van. Zij en alle andere Carnaçois hebben sinds mensenheugenis met en tussen de erfenis van de Kelten geleefd. Zo moet het blijven: kleinschalig, menselijk en zonder bemoeienis van een inhalige staat, die nota bene in 1958 dwars door de menhirvelden een weg heeft willen aanleggen. Slechts hardnekkig verzet van de bevolking heeft dat voorkomen.

Bovendien, Céline verklapt het met nauwelijks verholen leedvermaak, authentiek is dit veld niet. Haar grootouders wisten nog te vertellen hoe de overheid, na een oproep aan de bevolking om zich op hun grond bevindende menhirs ,,aan te geven'', de rijen heeft aangevuld. De huidige formaties wijken dan ook af van die op topografische kaarten van voor die tijd.

De Franse staat is sinds 1888 eigenaar van de menhirvelden rondom Carnac. De voorouders van Guy Mary hebben dat van Kermario zelf aan de overheid verkocht. Ze lieten het recht van overpad en van weiden van het vee notarieel vastleggen.

Meer dan een eeuw later, in 1990, achtte de overheid de tijd gekomen om het erfgoed tegen de toenemende toeristenstroom ,,in bescherming'' te nemen. De toenmalige minister van Cultuur, de socialist Jack Lang, lanceerde zonder ruggespraak met de plaatselijke bevolking het project `Grand Carnac'. Het voorzag, naast onteigening van de resterende omringende privé-grond, in de aanleg van grote parkeerplaatsen en van verschillende dienstgebouwen. En in een reeks blunders. Zo werd het gras aanvankelijk met tractoren in plaats van met schapen kort gehouden, waardoor stenen werden beschadigd of verzakten. Ook werd er een uitkijktoren neergezet die, omdat zelfs voorstanders van het project klaagden over de lelijkheid ervan, weer werd afgebroken. Ook kwam er een betonnen informatiecentrum, dat nu om dezelfde reden op de nominatie staat voor sloop. Alleen het indertijd ingestelde toeristentreintje blijft gehandhaafd.

Hetzelfde geldt vooralsnog voor de groene stalen hekken tien kilometer in totaal die het ministerie na het onmiddellijk op gang gekomen, massale verzet tegen `Grand Carnac', rond de drie grootste menhirformaties, waaronder Kermario, liet plaatsen. Het recht van weiden en van overpad van de Mary's werd genegeerd. ,,Ik kon er niet eens meer met een kruiwagen langs'', zegt Céline die een smalle strook van dertig centimeter langs de tuin aangeeft. Op last van de rechter werden de hekken verplaatst.

Geen middel heeft de overheid sindsdien onbeproefd gelaten om de Mary's weg te krijgen. Bestemmingsplannen werden gewijzigd, gerechtelijke procedures al naar gelang het belang van de staat opgehouden of juist versneld, en er werd met steeds weer andere wetten en voorschriften geschermd. Zowel Guy als Céline werd voorwaardelijk veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf en vijfduizend franc boete, nadat ze in 1994 onder het oog van opgetrommelde televisieploegen symbolisch enkele meters hekwerk demonteerden.

Maar de Mary's houden stand. Ze zijn Bretonnen en ,,dus koppig'', ook al hebben ze op de laatste inspraakavond van burgemeester Jacques Bruneau te horen gekregen dat `Parijs' de mobiele eenheid zal inzetten om hun boerderij te ontruimen. Het daarop uitgebrachte bod van drie miljoen francs, nog geen half miljoen euro, hebben ze meteen afgeslagen. Hetzelfde lot wacht het tweede, finale bod. Wanneer dat in de bus valt, weet niemand, maar ter voorbereiding op wat komen gaat is vorige week José Bové, Frankrijks wereldberoemde anti-mondialiseringsheld, alvast op bezoek geweest. Céline Mary weigert iets te zeggen over het uitgedokterde actieplan.

Burgemeester Bruneau zegt geen partij te zijn in het conflict. Maar volgens hem heeft de overheid toegegeven ,,fouten'' te hebben gemaakt en zijn de Mary's ,,op sleeptouw genomen door professionele actievoerders''. Hij weet niet beter of zij kunnen tot aan hun dood op hun boerderij blijven. Mits ze het bod accepteren. Céline Mary haalt haar schouders op. ,,De staat heeft bepaald dat we op `korte tot middenlange termijn' het veld dienen te ruimen. Dat is iets anders dan `tot aan onze dood'. Voor zijn verkiezing was Bruneau nog tegen `Grand Carnac'. Nu zegt hij er niets meer over en is hij dus voorstander.''

Desgevraagd zegt burgemeester ,,graag'' te zien dat de ,,door deskundigen van mondiaal belang geachte'' menhirs op de culturele erfgoedlijst van de Unesco geplaatst worden. De daarvoor noodzakelijke uitzetting van de Mary's vindt hij ,,verschrikkelijk spijtig''.