Zorg groeit over Israëls Arabieren

Zeven leden van een geachte Israëlisch-Arabische familie worden van een rol in een Palestijnse aanslag verdacht. In Israël is de schok groot.

Israël en leiders van de Arabische gemeenschap in Israël zijn ontzet dat leden van een bekende Arabische familie worden verdacht van betrokkenheid bij een Palestijnse terroristische aanslag in een autobus. Bij deze zelfmoordaanslag in Galilea op 4 augustus vielen negen doden en werden vijftien mensen zwaar gewond. Het gaat om zeven leden van de achtenswaardige Bakri-clan in het dorp Ba'ana nabij de stad Carmiel in Noord-Israël.

Muhmad Bakri, een van Israëls meest populaire toneelspelers, weigerde gisteren te geloven dat leden van zijn uitgebreide familie de hand zouden hebben gehad in de voorbereidingen van deze aanslag. ,,Ik kan het niet geloven. Het is een samenzwering'', zei hij. De politie heeft de rechtbank echter harde feiten en een bekentenis van ten minste een van de verdachten voorgelegd, op grond waarvan de zeven in voorlopige hechtenis zijn genomen. Volgens de politie hebben dezen een Palestijn uit Jenin die in hun dorp werkte, direct en indirect geholpen bij het plannen en uitvoeren van de aanslag op de bus. Ze gaven hem onderdak, hielpen bij het voorbereiden van de explosieve lading en zochten zorgvuldig een bus uit waarin zondagochtend vroeg vooral militairen naar hun bases terugkeerden.

Het nieuws heeft onder de Israëlische joden en Arabieren schokgolven van woede, verbijstering en zelfonderzoek losgemaakt. De Israëlische veiligheidsdiensten zijn diep bezorgd over over de diepte van de infiltratie van de Palestijnse intifadah in de Arabische gemeenschap. Het is volgens commentatoren zorgwekkend dat zeven seculiere leden van de Bakri-clan, die goed is gesitueerd en opgeleid, zich voor een terroristische aanslag hebben laten lenen. Minister Matan Vilnai zei vanmorgen dat de achterstelling van de Arabische gemeenschap in Israël geen verklaring voor het ,,overschrijden van de rode lijn mag zijn''. Op universiteiten en ook in de politiek wordt al jaren lang volmondig erkend dat de staat Israël sedert 1948 de Arabische staatsburgers stelselmatig heeft gediscrimineerd. Onder de laatste regering van de vermoorde premier Rabin kwam daar budgettair, maar ook gevoelsmatig verbetering in. Maar het aan de macht komen van rechtse regeringen in Israël en het uitbreken van de Palestijnse intifadah hebben langzaam doch heel duidelijk de spanning tussen vijf miljoen joden en 1,2 miljoen Arabieren opgevoerd.

Na het bezoek van Ariel Sharon aan de Tempelberg op 28 september 2000 en daarop volgende rellen, waarbij zeven Palestijnen werden gedood, braken ernstige botsingen uit tussen Israëlisch-Arabische demonstranten en de politie. Dertien betogers werden gedood. De commissie-Orr stelt een door rechtse ministers zwaar gekritiseerd onderzoek in naar deze onlusten.

De Israëlische Arabieren identificeren zich intussen steeds meer als Palestijnen. Werkloosheid, discriminatie, en een zelfs voor nationalistische joden begrijpelijke band tussen Israëlische Arabieren en hun Palestijnse familieleden in de Palestijnse vluchtelingenkampen, zijn vervolgens de ingrediënten voor een voedingsbodem voor anti-Israëlische terreur.

,,De dam is gebroken, meer Israëlische Arabieren laten zich voor de Palestijnse terreur mobiliseren'', zeggen veiligheidskringen. De minister van Binnenlandse Zaken, Uzi Landau, laat over die constatering geen gras groeien en bepleitte vandaag het opblazen van de huizen van verdachten uit de Bakri-clan als afschrikwekkende maatregel. Deze minister maakt geen onderscheid in de manier waarop Israëlische Arabieren en Palestijnen in de bezette gebieden moeten worden aangepakt. Dat is precies het probleem waarmee de veiligheidsdiensten worstelen omdat zo Israëlische Arabieren en Palestijnen nog nauwer tot elkaar komen.