Servië-Montenegro: een impasse eerder dan een doorbraak

De eerste steen van de toekomstige `unie' van Servië en Montenegro, opvolgster van de Joegoslavische federatie, is gelegd: er is een ontwerpgrondwet. Maar de vraag is hoe stevig die steen ligt.

De regeringen van Servië en Montenegro joegen gisteren na maanden van geruzie de kogel door de kerk: er is een ontwerp-grondwet voor de nieuwe unie, een ,,constitutioneel handvest'', want de unie wordt zo los dat het woord grondwet eigenlijk niet mag vallen. Na het door de Europese Unie afgedwongen `maart-akkoord', dat voorzag in de vorming van een nieuwe unie en in het afzien, door Montenegro, van alle aanspraken op onafhankelijkheid voor een periode van drie jaar, stelden de parlementen van Servië, Montenegro en Joegoslavië een commissie samen die moest gaan praten over dit handvest van de unie. Dat overleg liep al snel spaak door de diametraal tegenover elkaar staande verwachtingen. De Serviërs eisten een zo solide mogelijke unie, met maximale bevoegdheden voor overkoepelende organen. De Montenegrijnen eisten een zo los mogelijke unie, met zwakke overkoepelende organen.

De commissie is er niet meer uit gekomen, en het ontwerp-handvest dat gisteren het levenslicht zag is dan ook niet het werk van die speciale commissie, maar van de regeringen van beide republieken, de Servische regering van Zoran Djindjic en de (demissionaire) Montenegrijnse regering van Filip Vujanovic.

De beide heren hebben een aantal knopen vrij simpel doorgehakt. De nieuwe staat gaat Staatsunie van Servië en Montenegro heten en krijgt geen hoofdstad: Belgrado wordt slechts een `administratrief centrum', waar de overkoepelende regering en het gezamenlijke parlement gaat zetelen. Het gemeenschappelijke hooggerechtshof komt in de Montenegrijnse hoofdstad Podgorica. De unie krijgt een vlag, wapen en volkslied en een president die door het gemeenschappelijke parlement wordt gekozen. De nieuwe staat krijgt een leger, maar militaire rechtbanken worden afgeschaft.

Over het probleem van de verdeling van een gemeenschappelijke begroting is afgesproken dat die plaatsheeft naar rato van het bruto binnenlands product van beide republieken. Een ander geschil betrof de vraag wie de leden van het gemeenschappelijke parlement zou moeten kiezen – de bevolking, in directe verkiezingen, zoals de Serviërs wilden om die parlementariërs een krachtig mandaat mee te geven, of door de deelrepublikeinse parlementen, zoals de Montenegrijnen eisten. Het compromis: elke deelrepubliek moet zelf uitmaken hoe haar leden van het unieparlement worden gekozen.

De nieuwe ontwerp-grondwet zou een hoogst belangrijke doorbraak zijn als beide partijen, de Serviërs en de Montenegrijnen, het ècht eens zouden zijn geworden over hun gemeenschappelijke toekomst. Maar dat is geenszins het geval.

De ontwerp-grondwet is het werk van de hervormingsgezinde vleugels in beide republieken, die met elkaar de wetenschap gemeen hebben dat het compromis de weg naar Europa – de Europese Unie – effent, en die die weg naar Europa een absolute prioriteit toekennen. Zij maken de dienst uit in de Servische en in de Montenegrijnse regering: de Servische premier Zoran Djindjic, de Montenegrijnse premier Filip Vujanovic en de Montenegrijnse president Milo Djukanovic horen tot die Europagezinde hervormers. Maar de grondwet is allerminst naar de zin van de al dan niet gematigde nationalisten in Servië (zoals de Joegoslavische president Vojislav Koštunica) en van de Montenegrijnse voorstanders van een strakke unie met Servië. Zij – tegen hervormingen en tegen Europa – hebben sinds enige tijd een meerderheid in het parlement in Podgorica. Die meerderheid kan het ontwerp-handvest van de toekomstige unie afstemmen. In een eerste reactie zei een woordvoerder van de Montenegrijnse oppositie dat de regeringen van beide republieken niet het het recht hadden om het ontwerp op te stellen en dat de Montenegrijnse regering demissionair ,,en dus niet legitiem'' is.

Gisteravond bleek al hoe diep de onenigheid blijft bestaan. President Koštunica van Joegoslavië wilde de tekst van de ontwerp-grondwet nog doorspreken (en wijzigen) en riep daarvoor de vier andere ondertekenaars van het maart-akkoord naar Belgrado: Djukanovic en Vujanovic, Zoran Djindjic en de Joegoslavische vice-premier Miroljub Labus (een aanhanger van Djindjic en rivaal van Koštunica bij de komende Servische presidentsverkiezingen). Maar alle vier behoren tot de hervormers. ,,Er is geen behoefte aan zo'n gesprek'', zo lieten woordvoerders van de in Servië regerende coalitie DOS weten. Labus noemde het door Koštunica voorgestelde overleg zelfs ,,een politiek circus'' waarvan hij liever wegbleef. En Djindjic vond dat de door Koštunica gewenste bijeenkomst pas zin heeft als de leden van de commissie die de ontwerp-grondwet had moeten opstellen de ontwerp-grondwet hebben bestudeerd. Waarop Koštunica ,,een impasse'' constateerde: ,,We zijn weer bij af.''