Nederland kan OVSE uit het slop halen

Nederland moet zich straks als voorzitter van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa sterk maken voor het verbeteren van de werkmethoden en voor maatregelen ter voorkoming van een nieuwe Oost-Westdeling, menen J.H.R.D. van Roijen en E. Bakker.

Volgend jaar is Nederland voorzitter van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). De verwachtingen van het Nederlandse voorzitterschap zijn hooggespannen. Nederland is een prominent lid van deze organisatie en wordt gezien als hét land dat de ontwikkeling en het functioneren van de OVSE nieuwe impulsen kan geven. Op dit moment is namelijk sprake van een ernstige politieke crisis binnen deze veiligheidsorganisatie.

Volgens Rusland en een aantal andere Oost-Europese staten is deze crisis het gevolg van het feit dat te veel nadruk wordt gelegd op humanitaire en mensenrechtenvraagstukken, en de OVSE-missies te eenzijdig in de landen van de voormalige Sovjet-Unie zijn geconcentreerd.

Om de organisatie uit het slop te trekken, moet het Nederlandse voorzitterschap zich vooral richten op de verbetering van de werkmethoden van de OVSE, en op maatregelen ter voorkoming van een dreigende nieuwe Oost-Westdeling in Europa. Daarnaast dient Nederland oplossingen aan te reiken voor knelpunten op het terrein van de OVSE-missies en de Hoge Commissaris inzake Nationale Minderheden (HCNM), de twee unieke en meest succesvolle instrumenten van de OVSE.

Wat betreft het verbeteren van de werkmethoden moet het Nederlandse voorzitterschap zich met name inzetten voor het versterken van de politieke dialoog en het stroomlijnen van de besluitvorming. Voorts valt ter versterking van de organisatie te denken aan meer aandacht voor de evaluatie van haar activiteiten, opdat van al dan niet vermeende fouten geleerd kan worden.

Ook zou er naar kunnen worden gestreefd dat de ene voorzitter ervaringen en lessons learned, doorgeeft aan de andere. Nu Bulgarije waarschijnlijk de volgende voorzitter zal zijn, zou het ministerie van Buitenlandse Zaken de banden met de collegae in Sofia kunnen aanhalen, en deze met regelmaat kunnen betrekken bij het reilen en zeilen van het Nederlandse voorzitterschap.

Het tweede punt waarop actie noodzakelijk is, is dat van de dreigende tweedeling in Europa. Rusland en een aantal andere ex-sovjetrepublieken nemen ten aanzien van de OVSE een sceptische, zo niet negatieve houding in. Het is voor de OVSE van groot belang hier waakzaam te zijn. Zij kan, gelet op haar status, juist een bijzonder grote rol spelen in het blijven betrekken van Rusland en de andere voormalige sovjetrepublieken bij pan-Europese veiligheid en samenwerking. Dit geldt ook voor de Nederlandse regering. Het bekleden van het voorzitterschap van achtereenvolgens de OVSE, de Raad van Europa en de EU, biedt een uitgelezen mogelijkheid om de dreigende tweedeling in Europa gedurende een langere periode als thema op de politieke agenda te zetten.

Op het terrein van de OVSE-missies en de Hoge Commissaris inzake Nationale Minderheden (HCNM) zijn, deels als gevolg van de enorme uitbreiding van activiteiten, knelpunten ontstaan die van invloed zijn op het functioneren en de effectiviteit van deze OVSE-instrumenten. Een serieus knelpunt is het beperkte aanbod van experts door de deelnemende landen. Ondanks nieuw beleid op dit terrein kan het op tijd vinden van de juiste mensen nog steeds het best beschreven worden als het bij elkaar sprokkelen van personen.

Een ander knelpunt is de discrepantie tussen de inspanningen voor het organiseren van en waarnemen bij verkiezingen enerzijds, en het ondersteunen van de via deze verkiezingen totstandgekomen parlementen anderzijds. De invulling van het mandaat met betrekking tot democratische opbouw van instituties ná verkiezingen dient meer aandacht te krijgen. De noodzaak tot duidelijke en eenvoudige administratieve procedures is een ander obstakel dat een grotere effectiviteit van de veldactiviteiten in de weg staat. Een laatste terrein waarop al veel bereikt is, maar progressie wenselijk is, betreft de betrokkenheid van non-gouvernementele organisaties bij de werkzaamheden van de OVSE.

De HCNM heeft in de persoon van Max van der Stoel een zeer belangrijke rol gespeeld bij het deëscaleren van interetnische spanningen. In de afgelopen jaren bestond echter minder waardering voor het feit dat de HCNM bijna uitsluitend actief is in Oost-Europa en Centraal-Azië. Hoewel hij daar meer succes kon boeken dan in West-Europa zal de HCNM, gelet op de kritiek, maar ook vanwege veranderende omstandigheden, zich in de toekomst niet meer hoofdzakelijk kunnen blijven richten op deze regio's.

Zo zal de kans op succes in Oost-Europa, dat nu sterk beïnvloed wordt door het inspelen op de ambitie van voormalige communistische landen om toe te treden tot de EU en de NAVO, een stuk kleiner worden op het moment dat deze ambitie gerealiseerd wordt. Daarnaast kent het lokmiddel EU en NAVO een beperkte houdbaarheid voor die landen waarvoor duidelijk wordt dat ze er voorlopig niet in zullen worden opgenomen. Tevens is een bredere inzet van de HCNM in geografisch opzicht wenselijk omdat de Hoge Commissaris een belangrijke rol zou kunnen spelen met betrekking tot `traditionele' minderhedenkwesties in West-Europa, en in het debat over `nieuwe' minderhedenkwesties zoals die inzake allochtone moslimgroeperingen en de thema's immigratie en integratie.

Gelet op de huidige crisis en de genoemde knelpunten binnen de OVSE, vraagt het aanstaande voorzitterschap een gedegen voorbereiding. Het valt ook te hopen dat het Nederlandse voorzitterschap zal leiden tot een grotere bekendheid van de OVSE onder het Nederlandse publiek. De huidige relatieve onzichtbaarheid van de organisatie en haar werkzaamheden is het gevolg van het feit dat de OVSE vaak één van de vele internationale organisaties is die in een conflictregio aanwezig zijn. De OVSE is in sommige gevallen echter de belangrijkste internationale organisatie en speelt vaak een voortrekkersrol; iets dat meer aandacht en waardering verdient.

Mr. J.H.R.D. van Roijen en dr. E. Bakker zijn respectievelijk voorzitter en bestuurslid van het Nederlands Helsinki Comité.