Let ook op de Duitse kleintjes

omer 1982 nam de West-Duitse vice-kanselier Genscher, kopman van de liberale FDP en minister van Buitenlandse Zaken in een kabinet met de SPD, met zijn partijtop een vérstrekkend besluit. Genscher had vastgesteld dat SPD-kanselier Helmut Schmidt weliswaar nog steeds populair was bij de kiezers in het centrum maar vooral inzake thema's als de oplopende staatsschuld, energievoorziening via kerncentrales en de eventuele plaatsing van middellangeafstandsraketten op Duitse bodem nogal geïsoleerd was geraakt in zijn eigen partij. Meer nog, dat Schmidt misschien persoonlijk nog een redelijk electoraal draagvlak had, maar de onder voorzitter Willy Brandt naar links koersende SPD niet meer.

Wat deed Genscher, wiens partij al sinds 1969 met de SPD regeerde? Hij sloot een informeel akkoord met de CDU'er Helmut Kohl, oppositieleider, en beloofde steun van de FDP in de Bondsdag voor een ,,constructieve motie van wantrouwen'' tegen Schmidt en de verkiezing van Kohl als kanselier. Zo geschiedde, najaar 1982, Genscher veranderde in de progressieve media op slag van een gewaardeerd politicus in ,,een verrader'', hij zou nog jaren als minister en partijleider nodig hebben om weer van dat predikaat af te komen. Maar, en daar gaat het me in dit geval om, hij had zijn fijne neus voor `langademige' emoties in het electoraat weer eens bewezen, zijn nieuwe coalitieverbond met de CDU/CSU zou nog tot 1998 duren. Een andere politieke veteraan, SPD-fractieleider Herbert Wehner, voorspelde zijn jonge en radicaliserende partijgenoten najaar 1982 trouwens al dat hun oppositierol wel eens langdurig zou kunnen worden. In het licht van die voorgeschiedenis zou het extra dramatisch zijn wanneer kanselier Schröders SPD na vier jaar, in de Bondsdagverkiezingen van 22 september, weer zou worden weggestemd.

We zijn bij vandaag en bij de alom besproken vraag of Schröder het alsnog kan redden tegen de Beierse kanselierskandidaat van de CDU/CSU, Edmund Stoiber. Eigenlijk is dat een rare vraag. Want ten eerste zijn de Duitse kiezers van géén van deze twee heren erg onder de indruk, zoals bijvoorbeeld blijkt uit opiniecijfers met commentaar die de Frankfurter Allgemeine Zeitung vorige woensdag bracht (Weinig vertrouwen in Schröder, weinig enthousiasme voor Stoiber). Ruime kiezersmeerderheden vinden dat Schröder zich niet heeft gehouden aan zijn verkiezingsbeloften en op mooie praatjes geen daden laat volgen. Daar staat tegenover dat maar 19 procent van de kiezers in Stoiber een betere kanselier ziet. Anders gezegd: qua personen zien de Duitsers zich min of meer gedwongen tot een keus tussen de duivel en de blauwe zee. Dat was, zo brengt de FAZ in herinnering, in 1998 nog anders. Toen ging het er voor velen om of Kohl en zijn coalitie met de FDP na zestien jaar eindelijk vervangen konden worden, een emotie waarmee de SPD en de Groenen hun voordeel konden doen.

De vraag Schröder of Stoiber is, ten tweede, een beetje raar omdat de kiezers die vraag in die vorm op 22 september helemaal niet voorgelegd krijgen. In het veelbewonderde Duitse kiesstelsel heeft de kiezer immers een veel bredere en dus ook betere keuzemogelijkheid. Hij heeft twee stemmen. De eerste brengt hij uit op een kandidaat in zijn kiesdistrict. Er zijn 328 kiesdistricten, die via `eerste stemmen' evenveel direct gekozen leden van de Bondsdag opleveren. Het ligt voor de hand dat het daarbij vrijwel altijd gaat om mensen van de CDU/CSU en de SPD, niet om kandidaten van kleine partijen, want die zullen zelden een meerderheid in een kiesdistrict bereiken.

Zijn tweede stem, die over verdeling van nog eens 328 Bondsdagzetels beslist, brengt de kiezer uit op een landelijke lijst. Die tweede stem kan hij geven aan een andere partij dan die van de regionale kandidaat die hij heeft helpen kiezen. Anders gezegd: hij kan zijn eerste stem geven aan een regionale SPD-kandidaat en zijn tweede op de landelijke lijst van de Groenen uitbrengen. Bijvoorbeeld wanneer hij naast de SPD de Groenen zo sterk mogelijk in de Bondsdag wil zien en die twee partijen samen in een regeringscoalitie. Een niet onbelangrijk aantal kiezers stemt op die manier en benut daarmee de mogelijkheid om de samenstelling van een regeringscoalitie te beïnvloeden. Kleinere partijen als de FDP vroegen en vragen de aanhang van grote partijen dan ook uitdrukkelijk om hun tweede stem. De FDP, die net als de Groenen geen rechtstreeks gekozen regionale kandidaten heeft, vroeg dat in de afgelopen decennia met zoveel woorden aan CDU-kiezers. Met succes en onder het motto: wij willen onze coalitie met de CDU voortzetten maar dan moet u ons boven de kiesdrempel van vijf procent brengen en overigens ook sterk genoeg maken om die coalitie een meerderheid te bezorgen. Voorts zijn er dan nog de zogeheten Überhangmandate: extra zetels die grotere partijen krijgen wanneer hun aantal met eerste stemmen gekozen regionale kandidaten procentueel groter is dan het landelijke percentage dat zij via tweede stemmen hebben bereikt. Dat systeem, dat het geven van de tweede stem aan een kleinere partij enigszins compenseert bij grote partijen, hielp Kohl in 1994 nog aardig.

Hoe dat ook zij, CDU/CSU en SPD mogen geen van tweeën rekenen op een absolute meerderheid, zij zijn al blij als zij wat boven 40 procent eindigen. Dus is de tweede stem die de kiezer uitbrengt op een kleinere partij indirect beslissend voor de regeringsvorming en voor wie er kanselier wordt. Zo gezien is de vraag hoe de Groenen, de logische coalitiepartner van de SPD, en de FDP, die dichter bij de CDU/CSU staat, het 22 september doen in feite nog interessanter dan de afloop van het duel Schröder-Stoiber. Zo gezien zal Schröder zich er zorgen over maken dat de FDP vorige week op 12,8 procent zat terwijl de Groenen het met maar 7 procent moesten doen.