Derde Wereld behoeft intensieve landbouw

De armoede- en milieuproblemen in ontwikkelingslanden zijn niet het gevolg van moderne landbouwmethoden, maar van een te gering gebruik van opbrengstverhogende hulpmiddelen, meent Ruerd Ruben.

Tijdens de wereldtop over duurzame ontwikkeling in Johannesburg zullen veel milieuproblemen vrijwel automatisch worden geassocieerd met de agrarische sector. Ontbossing, verlies van biodiversiteit, mestoverschotten, watervervuiling en klimaatsverandering worden in meer of mindere mate veroorzaakt door een te hoge graad van intensivering in de landbouw- en veeteeltproductie in de westerse wereld.

Maar de problemen van armoede en milieu in de meeste ontwikkelingslanden hebben weinig van doen met de moderne landbouw. Die zijn veeleer het gevolg van een te gering gebruik van opbrengstverhogende hulpmiddelen. Een groot deel van de ontbossing en bodemdegradatie wordt veroorzaakt door extensieve landbouwsystemen. De snel groeiende bevolking in de rurale gebieden beschikt over onvoldoende middelen om de kwetsbare bodems op een duurzame wijze te beheren.

Deze twee totaal verschillende perspectieven van landbouwontwikkeling vragen om een gedifferentieerde benadering. Duurzame landbouw in de westerse landen vraagt om een vermindering van de emissies en een rationeel gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen. De consument is steeds meer geïnteresseerd in de veiligheid van het voedsel, en de agrarische sector maakt een snelle overgang mee van `bulk' naar kwaliteit. In de meeste ontwikkelingslanden is intensivering van de landbouw van centraal belang om de lokale boeren in staat te stellen een redelijk bestaan op te bouwen. Stimulering van de agrarische sector wordt beschouwd als een vitale fase in het proces van algemene economische ontwikkeling. Een goed functionerende voedsel- en agrarische exportproductie stimuleert de opbouw van de industriële sector en de verbreding van de economische structuur.

De snelle economische groei in de landen van Zuid-Azië is vooral gebaseerd op het gericht stimuleren van kleine en middelgrote agrarische bedrijven. In veel Afrikaanse landen zijn de publieke investeringen in de ontwikkeling van de landbouw echter verwaarloosd, met als gevolg een stagnerende agrarische productiviteit, sterke bodemerosie, toenemende rurale armoede en een stagnerende economische ontwikkeling.

Voor het gelijktijdig bestrijden van armoede en milieudegradatie is een strategie nodig voor duurzame intensivering van de agrarische productie in ontwikkelingslanden. Het gaat daarbij om het vergroten van de toegang tot verbeterd zaaizaad (vooral variëteiten met een grotere droogte- en ziekteresistentie), kunstmest en irrigatie. Kleine boeren kunnen hiermee de productiviteit van grond en arbeid gelijktijdig opvoeren en de risico's van oogstverliezen verminderen. Van de overheid worden omvangrijke investeringen gevraagd in het rurale wegennet, elektriciteits- en drinkwatervoorzieningen, onderwijs en gezondheidszorg.

Een dergelijke strategie is in de jaren zestig redelijk succesvol gebleken in een aantal landen van Azië en Latijns Amerika. Door deze zogeheten `Groene Revolutie' zijn landen als India en China thans vrijwel volledig zelfvoorzienend op het gebied van de voedselproductie. Ook de armoede is in deze gebieden belangrijk teruggedrongen; de grootste armoede is thans geconcentreerd in de meer perifere gebieden die geen deel hadden aan de Groene Revolutie.

In kringen van de Wereldvoedselorganisatie FAO wordt nu geroepen om een nieuwe groene revolutie, die zich met name op de landen in Afrika zou moeten richten. Ook het Afrika-initiatief van de Wereldbank besteedt veel aandacht aan de mogelijkheden voor landbouwontwikkeling, door de ontwikkeling en verspreiding van verbeterde gewasvariëteiten en teeltmethoden. Een centraal element in deze plannen is de hervorming van de politiek-economische structuur, zodat boeren voldoende stimulans ondervinden om te investeren in productiviteitsverhoging. Het is echter de vraag of een dergelijke aanpak voldoende perspectief biedt. Herhaling van de Groene Revolutie lijkt nauwelijks mogelijk en ook onwenselijk. Nu al leidt intensivering van irrigatielandbouw op veel plaatsen tot grote milieuproblemen, veroorzaakt door verzilting van de bodem en daling van de grondwaterspiegel. Het technologische pakket van de Groene Revolutie (zaden, kunstmest, irrigatie) is vooral geschikt voor gebieden met goede bodems en een gunstige ligging, en stelt betrekkelijk geringe eisen aan de institutionele structuur van de landbouw.

De nieuwe technieken die moeten leiden tot productiviteitsverhoging in andere gebieden zijn veel complexer. Herbebossing, integraal weidebeheer, erosiebestrijding en bodemconservering zijn investeringen die pas renderen op de langere termijn. Zij vragen daarom om goede eigendomsrechten en een intensieve samenwerking tussen boeren, bijvoorbeeld gemeenschappelijke actie voor de bestrijding van ziekten of het beheer van stroomgebieden.

Het Internationale Fonds voor Agrarische Ontwikkeling (IFAD) lanceert in Johannesburg een nieuw perspectief voor duurzame rurale ontwikkeling. Centraal element hierbij is dat nieuwe investeringen in de gunstige landbouwgebieden nu nog maar een betrekkelijk geringe bijdrage kunnen leveren aan de verdere groei van de landbouwproductie. Daarentegen leiden investeringen in de van regen afhankelijke landbouw in de meer perifere regio's tot een veel hoger rendement. De bestaande kloof tussen huidige en potentiële productie in deze gebieden is groot, en de productiviteit kan dan met betrekkelijk beperkte middelen worden verhoogd. Bovendien zijn de effecten op armoedebestrijding in dergelijke gebieden ook vele malen groter. Ruim driekwart van de armen – 1,2 miljard mensen – leeft in rurale gebieden, en bijna de helft daarvan is geconcentreerd in de laag ontwikkelde berghellingen en droge zones.

Duurzame landbouw in ontwikkelingslanden vereist toegang tot vitale hulpmiddelen (kunstmest, zaden), eigendomsrechten van grond, toegang tot de markt (wegenaanleg) en intensieve samenwerking tussen boeren. Gerichte armoedebestrijding is daarbij het meest gediend met investeringen in de minder ontwikkelde gebieden waar thans het hoogste rendement valt te behalen. Toename van de productie en vermindering van de armoede zijn doelstellingen die dan gelijktijdig dichterbij gebracht kunnen worden.

Ruerd Ruben is wetenschappelijk hoofdmedewerker bij de leerstoelgroep Ontwikkelingseconomie van Wageningen Universiteit en onderzoeker aan het Institute for Food Policy Research (IFPRI), Washington D.C.