Zelfs onderwereld gaat voor Joca liefst een blokje om

Sinds kort verblijft in de Extra Beveiligde Inrichting in Vught een van de meest gevreesde `Joego's' uit het Amsterdamse criminele circuit. Sreten Jocic, bijnaam Joca, is volgens het openbaar ministerie de spil in een serie afrekeningen in Amsterdam. ,,Een strateeg en moordenaar, wiens macht is gebaseerd op puur geweld.''

Van wie heb je dat gehoord? vraagt de Amsterdamse rechercheur van de criminele inlichtingendienst tegen beter weten in. En zonder een ontwijkend antwoord af te wachten zegt hij: ,,Als je dat in de krant zet, is hij morgen dood''.

We schrijven begin jaren negentig vorige eeuw. Uit het milieu is net het verhaal gekomen dat iemand door `Joego's' onder handen is genomen. De man in kwestie heeft op zijn werk verkondigd dat hij zijn baas, die een illegaal casino runt, zal doodschieten. Helaas voor hem is het dreigement zijn baas ter ore gekomen. Nog betreurenswaardiger voor hem is het dat zijn baas `Joego's' in dienst heeft. Twee van deze heren hebben het slachtoffer zo toegetakeld dat hij nooit meer de trekker van een vuurwapen kan overhalen. Ze hebben met de gekartelde achterkant van een survivalmes de rug van zijn handen bewerkt en de pezen van zijn vingers doorgezaagd.

De rechercheur weet van het voorval af. Hij kent de baas van het gokimperium en is als weinig anderen bekend met de werkwijze van de `Joego's' in de hoofdstad. De opkomst van de Joegoslavische criminelen in het Amsterdamse milieu baart hem zorgen. Zelfs zo dat hij met een paar kopstukken van de Hollandse penose een afspraak heeft gemaakt voor `krijgsberaad' over het steeds groter wordend probleem van de Joego's.

Een paar jaar later, in 1995, onderzoekt een criminologische onderzoeksgroep onder leiding van C.Fijnaut de georganiseerde misdaad in Nederland voor de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden. Fijnaut meldt over de vrouwenhandel in Amsterdam: ,,Verder valt ook hier op hoe gewelddadig met name Joegoslavische bendes in dit verband opereren, zowel ten opzichte van `hun' vrouwen, als ten aanzien van elkaar en van mogelijke niet-Joegoslavische tegenstanders''. Joegoslavische groepen zouden in Amsterdam ,,hun gewelddadigheid ten dienste stellen van Nederlandse en ook wel van andere groepen om het vuile werk te doen''. Dat ging volgens Fijnaut van liquidaties ,,tot en met het op een gewelddadige manier incasseren van schulden die handelspartners in de sector hebben''. Of, zoals in het geval van de stukgesneden handen, om het handhaven van de discipline in de criminele gelederen.

We schrijven 2002 en het probleem van de Joego's is niet echt kleiner geworden.In maart van dit jaar werd in de Amsterdamse Bloedstraat Magdi Barsoum vermoord, de aimabele Egyptische uitbater van een horecagelegenheid op de Wallen. Volgens de politie is hij het zoveelste slachtoffer van een voortslepende vete tussen Hollandse criminelen en Joego's. Magdi was volgens de politie een vriend van de Joegoslaaf Sreten Jocic, vaak aangeduid met de naam `Joca'. Joca werd op 20 juni dit jaar aangehouden in Sofia en op 16 augustus aan Nederland uitgeleverd. Sindsdien verblijft hij de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught. Hij zit voorlopig een oude straf uit, maar wordt verdacht van heroïnehandel en de moorden op twee Nederlandse topcriminelen, volgens zijn advocaat Boone overigens ,,zonder een spoor van bewijs''.

Behalve met deze moorden wordt Joca in verband gebracht met tal van liquidaties in binnen- en buitenland. Zijn naam borrelt voor het eerst op wanneer in oktober 1990 Ljubinko Becirovic, ook bekend als Duja, wordt geliquideerd na onenigheid met de misdaadorganisatie van hasjbaron Klaas Bruinsma. Jocic is de tweede man van Duja en volgt hem op als leider van de `Belgrado-bende'. Acht maanden later wordt Bruinsma voor bar-discotheek Juliana's bij het Hilton hotel in Amsterdam doodgeschoten.

Voor de moord op Bruinsma wordt de Amsterdamse oud-politieman, Martin H., veroordeeld. In de zeldzame verklaringen die hij voor de rechter aflegt, schetst H. een cultuur waarin wapens en geweld gewoon zijn. Zo legt hij desgevraagd uit hoe er kogelgaten in het plafond van zijn toilet waren gekomen. ,,O, dat kwam door zo'n maffe joego die zijn wapen zo nodig moest schoonmaken''. Overigens heeft H. altijd volgehouden dat hij de moord op Bruinsma niet heeft gepleegd, noch die op drugshandelaar Tonny Hijzelendoorn waarvoor hij ook werd veroordeeld.

Kroongetuige in het proces tegen Martin H. is de Nederlandse drugshandelaar Steve Brown. Brown beschrijft in zijn biografie `Drugsbaron in spijkerbroek' Martin H. als `rechterhand' van Duja en `luitenant' van Jocic. Jocic, schrijft Brown, ,,is tien keer harder dan Lange Frans (Klaas Bruinsma red.) De hele onderwereld loopt (voor hem) binnen de kortste keren bibberend en rillend met een grote drol in de broek rond''.

Over Jocic zegt Brown: ,,(Hij) lijkt met zijn jongensachtige en vriendelijke gezicht op een doodgewone, aardige vent. Zijn keurige kleding bedekt een kogelvrij vest en achter zijn glimlach schuilt een strateeg en moordenaar, wiens macht is gebaseerd op puur geweld''. Brown overleeft in december 1999 in Amsterdam een aanslag op zijn leven. Dader onbekend.

Het is niet ondenkbaar dat het van superlatieven doorspekte proza van Brown hier een kern van waarheid raakt. Criminoloog Frank Bovenkerk spreekt in zijn boek Misdaadprofielen over Jocic als: ,,een angstaanjagende Rambo en moordenaar''. In de criminaliteit geldt meer nog dan in de burgerwereld dat je naam zo goed is als die van de vrienden waarmee je je omringt. En Jocic bevindt zich in `goed' gezelschap. Bovenkerk noemt Jocic ,,volwaardig zakenpartner'' van Željko Raznjatovic, beter bekend als Arkan, `de roofkat'. Arkan heeft met zijn landgenoot Kostovski en topcrimineel Stanley H. volgens Bovenkerk menig roofoverval in Nederland op zijn naam staan. Tijdens de Bosnische oorlog raakt hij berucht als leider van `de Tijgers', een militie van paramilitairen. Hij staat hoog op de lijst gezochten van het VN-tribunaal in Den Haag wanneer hij op 15 januari 2000 wordt doodgeschoten in een hotellobby in Belgrado.

Begin jaren tachtig is Jocic nog geen `grote', zoals dat in politietermen heet. Oud-politieman Jan van Daalen herinnert zich nog goed hoe hij Jocic arresteerde. ,,Het was mijn eerste ervaring in uniformdienst. We hadden de tip binnengekregen dat er bij hem thuis een vuurwapen moest zijn. In mijn tijd had je nog geen arrestatieteams. Het was aanbellen en naar binnengaan.'' De zaak is er één van dertien in een dozijn. Van Daalen blijft zich met Joego's bezighouden. ,,Voor veel van mijn collega's was het tuig en zo behandelden ze hen ook. Ik probeerde ze toch als mensen te behandelen, en dan hoor je nog wel eens wat.'' Hij krijgt naar eigen zeggen het predikaat ,,Joegoslavenkenner'', en wanneer het steeds duidelijker wordt dat een oorlog dreigt in de Balkan, krijgt hij de opdracht navraag te doen of er soms aanslagen op Joegoslavische doelen in Nederland worden voorbereid. Van Daalen: ,,Maar van Jocic heb ik nooit iets losgekregen''.

In november 1991 is de reputatie van Jocic voldoende gevestigd om een arrestatieteam in te zetten voor zijn aanhouding wegens ,,een levensdelict''. Jocic, die altijd met een vuurwapen binnen handbereik slaapt, zegt niet in de gaten te hebben gehad dat de gemaskerde mannen die die nacht met veel geweld zijn woning zijn binnengekomen, politiemensen zijn en schiet. Hij raakt een politieman. De kogel ketst echter af op een sleutelbos.

Wegens gebrek aan bewijs vervolgt het openbaar ministerie Jocic uiteindelijk niet voor het levensdelict, maar wel voor poging tot doodslag bij zijn arrestatie. Wanneer zijn advocaat, C. Korvinus, er op wijst dat de termijn voor voorlopige hechtenis is verlopen, komt Jocic vrij. Hij verlaat Nederland. In 1993 wordt hij bij verstek veroordeeld tot drie jaar. Hij zit dan in Belgrado en houdt van daaruit zich volgens de politie nog steeds met Amsterdam bezig. Volgens ingewijden behoorde hij daar, met onder meer Arkan en Kostovski bij de absolute top van de macht. Naar verluidt zou hij daar en later in de voormalige Sovjet-Unie in wapens hebben gehandeld.

Wanneer een artikel in Panorama verschijnt waarin volgens Jocic veel fouten staan, nodigt hij de journalisten uit naar Belgrado te komen. De tegenwerping dat het land in oorlog is, wuift hij weg met het argument een pantserwagen naar het vliegveld te sturen om ze op te halen. De beoogde tolk werpt tegen tot een niet-Servische bevolkingsgroep te horen en zich op Servische bodem niet veilig te voelen. Daarop zou Jocic hebben gezegd: ,,U denkt toch niet dat iemand die voor mij komt een haar zal worden gekrenkt?'' Uiteindelijk gaat het interview niet door.

Op het uitleveringsverzoek aan de Bulgaren staat dat Joca onder meer wordt verdacht van betrokkenheid bij de moord op 23 september 2000 op Jan S.`de snor' Femer. Femer hoort met Mink K. en Stanley H. bij een bende die door de politie Deltagroep is gedoopt. Mink K. zit sinds 1999 in de gevangenis op verdenking van internationale wapenhandel. Voor een `toevallig' openstaande microfoon tijdens een verhoor achter gesloten deuren, zegt K. te werken voor buitenlandse inlichtingendiensten. Hij zou informatie over de Joegoslavische wapenhandel hebben gegeven.

Het openbaar ministerie schrijft in een toelichting op het aanhoudingsverzoek van Joca: ,,De oorsprong van een aantal problemen, die liquidaties tot gevolg hebben gehad, is gelegen in een conflict in de jaren tachtig van de vorige eeuw, toen [crimineel] Sam Klepper en zijn vaste maat John M. een partij verdovende middelen ter waarde van 12 miljoen US Dollar zouden hebben gestolen van (de vriend van Jocic) Magdi Barsoum''.

Klepper en M. moeten dit geld vergoeden aan Jocic. Daarnaast, het leven is hard, krijgen zij volgens het OM, nog in de oude monetaire spelling schrijvend, van Jocic een boete ,,van vele miljoenen guldens opgelegd''. ,,Omdat de betaling uitbleef, en onderhandelingen niet hielpen, zijn verschillende schietpartijen gevolgd.''

Op 10 oktober 2000 wordt Sam Klepper doodgeschoten op het Gelderlandplein in Amsterdam. Het OM verdenkt Jocic. Op 26 februari 2002 wordt M. op de Keizersgracht in Amsterdam van dichtbij beschoten. Hij raakt ernstig gewond maar overleeft de aanslag.

Joca heeft niet alleen een gewelddadige kant. Iemand die beroepsmatig geheimhouding is verschuldigd, vertelt: ,,Ik zat op een avond in Juliana's toen een groepje van zo'n man of zes binnenkwam. Ik zei tegen de vriendin met wie ik was, niet omkijken en niks vragen, maar als die mannen zijn langsgelopen, gaan wij de zaak uit. Maar de laatste van de groep ziet ons. Het was Joca, die kende ik van mijn werk. Hij zegt: `Wat leuk u te zien. Ik heb iets te vieren, ik heb net een zoon gekregen, wat wilt u drinken.' Ik zei dat we net van plan waren weg te gaan, maar voor we er erg in hadden stond een fles champagne voor ons. Joca was met zijn vrienden ergens anders gaan zitten. Even later kwam de ober om te zeggen: `Voortaan mag u altijd hier komen drinken op rekening van die meneer daar', en hij wees naar Joca. Ik ben nooit meer naar Juliana's toegegaan''.