Voetnoot

Ik kijk naar het bezwete voorhoofd van de Fin Pentti Saavalainen en moet plots aan mijn grootvader denken. Ook hij klom ooit richting hemel met zijn handen om een paal geklemd. Hij was een eenvoudige ambtenaar van het energiebedrijf die een half leven in de lucht heeft doorgebracht om elektriciteitkabels van mast tot mast te spannen. Hiermee verdiende hij zijn brood en hij moest van sport niets hebben. Als hij hier in mijn plaats had gestaan, in het lieflijke stadion van Potsdam, had hij zeker hoofdschuddend naar de verrichtingen van Pentti Saavalainen gekeken en hem vanzelfsprekend voor gek verklaard.

De Fin veegt nu wat druppels van zijn voorhoofd, steekt zijn polsstok in de lucht en begint aarzelend aan zijn korte aanloop. Voor hem, aan het einde van de smalle strook van tartan, hangt een lat op twee meter en veertig centimeter. Daar achter, hoog in de lucht, prikt de zon als een medaille van heet goud. Pentti Saavalainen is in 1926 geboren, het jaar waarin Rudolf Valentino in New York stierf, en hoopt over enkele seconden de nieuwe Europees kampioen polsstok te worden.

Nee, ik had het die lieve opa nooit kunnen uitleggen dat 4.385 mannen en vrouwen op leeftijd uit 39 verschillende landen aan de periferie van Berlijn zijn neergestreken om hun knarsende gewrichten te maltraiteren. Mijn grootvader vond dat je ouderdom met vrees en respect moest betreden. Fluisterend als in een kerk, het hoofd gebogen. Met het klimmen der jaren, poneerde hij, wordt het lichaam een museum waarin oude geuren en beelden worden opgeslagen. Daarmee moet je voorzichtig omgaan. Beweeglijkheid moest daarom volgens hem tot het minimum worden beperkt en lichaamstaal diende zo traag mogelijk te worden uitgesproken. Wie deze gulden regels niet eerbiedigt, maakt van zijn oude dagen een puinhoop en wordt nooit meer serieus genomen.

Opa was een principiële man die ervoor koos in zijn laatste levensjaren nog hooguit tussen tafel en bed loom te schuifelen. Zijn leven eindigde in de vertraagde stand. Hij werd maar 73 en zal nooit geweten hebben tot welk geweld het versleten mensenlijf nog in staat is.

Hier, in de vroegere DDR, heb ik tijdens deze dertiende Europese kampioenschappen atletiek voor veteranen het stoffige museum dat mijn opa zo lief was in een kraakpand vol heethoofden zien veranderen. Het lichaam als bolwerk van rebellie en dissidentie. Ik heb een Italiaan van 90 jaar na een sprong van 3,06 meter in een verspringbak zien belanden. Het zand spatte als vuurwerk om zijn kuiten en het publiek klapte eerbiedig. Ik zag de gerimpelde handen van een Duitse vrouw van 71 jaar een slingerkogel grijpen als een laatste kans om de eeuwigheid te bemachtigen. Ik zag haar strijden tegen de centrifugale kracht en bewonderde haar explosie van geluk toen haar ijzeren komeet tegen de veertigmeterlijn belandde. En terwijl ik een man van tachtig met geheven armen de finish zag passeren, vroeg ik me af hoeveel mannen in mijn eigen stad in staat zouden zijn de 100 meter net als hij binnen de vijftien seconden te lopen?

Misschien is sport voor veel van die veteranen een middel om het onafwendbare te tarten. Maar de vrolijke kinderlijkheid en de ernstige berusting waarmee overwinningen en nederlagen werden ontvangen hadden iets vertederends. Sport en competitie als remedie tegen de nostalgie. Veteranensport wordt door de dienstdoende Mart Smeetsen uit Hilversum, net als sport voor gehandicapten, vanzelfsprekend niet serieus genomen. En daarom zal niemand van het prachtige wereldrecord (47,86 seconden) gehoord hebben dat de Nederlander Eric Roeske op de 400 meter heeft gelopen. Voor de camera's is het sportende lichaam dat de veertig is gepasseerd maar een voetnoot in de statistieken.

Geeft niet, veteranen weten wel beter.