Verbanning

Het gedachtegoed van het nieuwe kabinet begint zich uit te kristalliseren: het is terug naar de Middeleeuwen. Althans als het aan sommige ministers ligt. Premier Balkenende heeft er meteen afstand van genomen, maar zijn bewindsman op Vreemdelingenbeleid, minister Nawijn, bezint zich op het terugsturen van criminele Nederlanders van allochtone origine naar het land van herkomst. Het gaat Nawijn primair om jonge Marokkaanse veelplegers, die met name in de grote steden veel overlast veroorzaken. Verbanning dus, bekend tot ver in de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Onze taal heeft er het woord bandiet aan te danken. Daarna brak toch het inzicht door dat het ,,in strijd met het internationale fatsoen is een ander land ongewenste elementen toe te schuiven'', zoals de strafrechtsgeleerde Remmelink het elegant heeft uitgedrukt.

Naast een diplomatiek is er ook een hard juridisch beletsel. Het vierde protocol bij het Europees verdrag voor de rechten van de mens verbiedt categorisch het uitzetten van eigen onderdanen. Nederland is sinds 1982 daaraan gebonden. Nota bene: uitlevering van eigen burgers om in den vreemde te worden berecht is niet verboden, getuige de cause célèbre van een Zwolse diskjockey die nu ondanks alle protesten in een Amerikaanse cel zucht. Dat was al op het randje. Uitzetting van eigen onderdanen – verbanning – is in elk geval nooit toegestaan.

Het protocol bij het Europees verdrag bevat echter een ontsnappingsmogelijkheid. Die zal Nawijn mogelijk in het achterhoofd hebben gehad toen hij over de juridische kritiek die direct op zijn ,,signaal'' volgde, zei dat hij zijn eigen juristen heeft om de reacties te pareren. Het verbod van uitzetting doet niets af aan het recht van een land zelf te bepalen wanneer de eigen burgers hun nationaliteit verliezen. Vreemde krijgsdienst is een algemeen aanvaard voorbeeld van deze sanctie. Waarom dan niet criminaliteit door burgers met een tweede paspoort? Het antwoord is simpel: omdat dit een onderscheid naar nationaliteit of etnische herkomst is. En dat wordt niet alleen door het Europees verdrag verboden, maar ook door de Grondwet waarop Nawijn onlangs de eed of belofte heeft afgelegd.

Dubbele nationaliteit is een bron van verwarring. Dat bleek wel bij het moeizame debat over de nieuwe wetgeving op het Nederlanderschap in de jaren negentig. Is naturalisatie slechts een kwestie van administratief gemak of mag een echte keuze voor Nederland worden verlangd? Het is dit laatste geworden, getuige invoering van een `naturalisatietoets' en het principe dat afstand wordt gedaan van de oude nationaliteit. Alleen voor migranten van de tweede generatie geldt dit niet omdat ze al zoveel binding met hun nieuwe vaderland hebben.

Dit onderstreept dat oriëntatie op Nederland het doel is van naturalisatie, ook al zeggen sommige herkomstlanden dat hun burgers nooit de oude nationaliteit kunnen kwijtraken. Daar heeft Nederland geen boodschap aan. Ons land is terecht niet gediend van een speciaal appèl van vreemde vorsten of kerkelijke instellingen op `hun' mensen hier, net zo min als van de Turkse dienstplicht voor Nederlandse jongens van Ottomaanse herkomst. Als naturalisatie een keuze is, dan geldt dat aan beide kanten. Dan kan Nederland burgers met een dubbel paspoort niet dumpen. Er zijn geen twee soorten Nederlanders.