Een Indiaase auto moet `op'

India had lang geen verkeersproblemen. Tot de Maruti-800 werd geïntroduceerd.

Men zou het niet denken, maar er zijn in New Delhi verkeersborden. Meestal verdekt opgesteld of slecht zichtbaar vanwege een laag stof, maar ze zijn er. Gewone, zoals het bord voor de voorrangsweg, alsook spectaculaire, zoals `verboden voor olifanten'. Daar staat een olifant op met een rode streep er doorheen, opdat de olifant het niet misverstaat.

Twintig jaar geleden had New Delhi geen verkeersproblemen. Niet omdat men zich aan de regels hield, maar omdat er nauwelijks autoverkeer was. Alleen de leden van het parlement reden over de stille, brede wegen, die vooral breed waren met het oog op parades en andere socialistische feestelijkheden. Maar in 1985 gaf India het idee van een socialistische republiek op, en omarmde het kapitalisme. Het kwam erop neer dat India de auto omarmde.

Tot dan toe waren er maar twee automodellen: de Ambassador, geïnspireerd op de Engelse Austin van 1959 en de Padmini, naar de Fiat van 1962. Beide in India geproduceerd en trotse symbolen van het idee van zelfvoorziening. Maar het gerucht deed de ronde dat er in de wereld ook andere autotypen bestonden en de langzaam groeiende middenklasse werd onrustig.

Het was premier Rajiv Gandhi die de economie van India in de jaren tachtig liberaliseerde, en het was zijn broertje Sanjay Gandhi die een ambitieuze samenwerkingsovereenkomst sloot met het Japanse Suzuki: daarmee was de Indiase Suzuki-alto geboren, hier Maruti-800 geheten. Het is nog altijd de meest verkochte auto in India en de wensdroom van een snel groeiende middenklasse. Een kwart van de één miljard inwoners tellende bevolking wordt gerekend tot de middenklasse, maar lang niet elke middenklasser heeft 7.000 euro om aan de fel begeerde Maruti te komen. De maatschappelijke ladder wordt bestegen met een goede fiets, vervolgens de scooter en aan de top van de carrière: de gloednieuwe Maruti. Hij moet wel gloednieuw zijn, want Indiërs doen niet aan tweedehandse auto's.

Wat in Nederland een `occasion' wordt genoemd, wordt in India met argusogen bekeken: iemand die zijn auto verkoopt heeft er ontegenzeglijk pech mee gehad. Zelfs professionele chauffeurs durven niet in een tweedehandse auto te rijden, omdat de vloek die de auto omgeeft door geen Godsbeeld met verse bloemen op het dashboard kan worden bestreden.

Een auto moet dus `op' worden gereden, en `op' is ook letterlijk `op'. Tegen de tijd dat men vindt dat de auto vervangen moet worden, is van de auto niets meer over. Motorisch gaat de Maruti-800 wel tien jaar mee, maar het omhulsel lijkt al na een jaar op glad gestreken aluminium-folie.

Waarom de Maruti er altijd zo gehavend uit ziet? Het is dat goedkope materiaal, zeggen kenners. De Ambassador en de Padmini werden gemaakt van staal, net als de trams van Nederland. Het is staal van afgedankte schepen, die in het oosten van India zijn ontmanteld voor hergebruik. Als je met de vuist tegen de Ambassador beukt hoor je een dof geluid. Bij een Maruti heb je meteen een deuk. Indiërs zijn gewend geraakt aan het pantser van de Ambassador en de Padmini. Nu ze in de tere Maruti's rijden moeten ze wennen aan hun kwetsbaarheid en dat is knap lastig. Want Indiërs rijden zoals ze lopen. Een beetje duwen en schurken kan bij het lopen geen kwaad, maar de Maruti-800 kan er niet tegen.

Desondanks gaat het leven door. Rechts en links inhalen, bij stoplichten zij aan zij gaan staan, met zes Maruti's naast elkaar op een tweebaansweg, nooit aan iemand voorrang verlenen tenzij een ongeluk onvermijdelijk is, het is de kapitalistische revolutie in India waar niemand omheen kan. Maar de revolutie heeft een oosters tintje: in het verkeer wordt niemand boos. Geen chauffeur die vloekt. En zelfs de olifant stapt gemoedelijk verder op de grote weg, het lelijke bordje tegen hem negerend.

Zevende deel in een serie. Eerdere delen zijn te lezen op www.nrc.nl