Dwangvoeding zal averechts werken

Het zwijgen van Volkert van der G. belemmert de rechtsgang geenszins, zoals wel wordt gedacht. Integendeel, het recht om te zwijgen is een fundamenteel recht van de verdachte dat dient te worden gerespecteerd, vindt Gijs van Oenen.

Waarom is Pim Fortuyn vermoord? Vermoedelijk zal geen enkele verklaring afdoende zijn om te begrijpen hoe deze brute en plotselinge moordaanslag heeft kunnen plaatsvinden. Al dan niet oprecht gedreven door een vurige wens om toch enig antwoord op deze vraag te krijgen, bijten velen zich nu vast in de motieven van de veronderstelde dader, Volkert van der G.

Dat is een wanhoopsstrategie, omdat tot nu toe niets erop wijst dat de verdachte iets over die motieven publiek wil maken, in ieder geval niet tijdens het proces. En gesteld dat Van der G. tijdens de behandeling van zijn zaak een verklaring zal kunnen en willen afleggen, wie garandeert dan dat dit de opheldering zal verschaffen waarop kennelijk zo velen zitten te wachten?

Een strafproces gaat niet in de eerste plaats om waarheidsvinding, al helemaal niet met betrekking tot de motieven van de verdachte – als dat zo was dan zouden we niet met een strafproces maar met inquisitie van doen hebben. Waar het om gaat, is of ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard, en zo ja, of ze bestraft moeten worden. Overwegingen omtrent de motieven van een verdachte zijn alleen van belang voorzover ze kunnen bijdragen aan de beantwoording van die vragen.

Nagenoeg iedereen lijkt het erover eens dat ruim voldoende bewijsmateriaal tegen Van der G. bestaat. De wens om zijn motieven te kennen vloeit dus niet voort uit angst dat hij anders wellicht vrijuit zou gaan, of een te lage straf zou krijgen. Het is dan ook misleidend om te zeggen dat het zwijgen van Van der G. ,,de rechtsgang belemmert'', zoals LPF-Kamerlid Fred Schonewille gisteren voor de radio deed. Met die rechtsgang is, voorzover we nu kunnen beoordelen, niets mis. Zelfs niet als daaronder slechts zou worden verstaan of de verdachte wel daadwerkelijk veroordeeld zal worden, wat thans voor velen het enige echte criterium lijkt te zijn.

Sterker, het respecteren van fundamentele rechten van een verdachte, zoals het recht om te zwijgen, behoort bij uitstek tot de juiste rechtsgang. Zo'n recht om niet aan de eigen veroordeling mee te werken is zelfs in de Verenigde Staten, een land met een veel agressiever strafprocesrecht, constitutioneel vastgelegd, in het Vijfde Amendement (I'll take the Fifth). Het woeste plan dat Schonewille (nota bene zelf jurist) voor de radio ontvouwde om het zwijgrecht van verdachten af te schaffen, is derhalve onzinnig.

In de (wan)hoop ooit toch nog Van der G. aan het praten te krijgen, richt de discussie zich voorts op zijn hongerstaking. Er is natuurlijk geen enkele garantie dat Van der G., als hij gedwongen gevoed zou gaan worden, een verklaring over zijn motieven zal afleggen.

Nog minder zal die verklaring betrouwbaar zijn of alles ophelderen. En het is al helemaal niet zeker dat degenen die nu zo aandringen haar als bevredigend zullen ervaren. Het is eigenlijk zelfs erg onaannemelijk dat welke verklaring van Van der G. dan ook, de nu zo geagiteerde politici en hun sympathisanten zal geven wat zij verlangen.

Neen, de kans is juist groot dat Van der G. na dwangvoeding geen wóórd ter toelichting geeft, terwijl dat voor iedereen, ook voor hemzelf, het beste zou zijn.

Daarom is het des te verontrustender dat velen, zoals kennelijk een meerderheid van de Kamer en wellicht zélfs de minister van Justitie, bereid zijn om ook hier de hand te lichten met de beginselen van de rechtsstaat. De opvatting van Kamerleden als Schonewille is dat dwangvoeding moet worden toegepast, maakt niet uit op welke rechtsgrond – en als die er niet is, moet die er maar komen. Minister Donner ziet natuurlijk wel in dat zo'n rechtsgrond zeker niet achteraf ingevoerd kan worden. Hij begaf zich echter wel op glad ijs met zijn publiekelijke suggestie dat er ,,zonder meer mogelijkheden, althans ruimte'' zou zijn voor dwangvoeding. In antwoord op Kamervragen verwees hij naar de Penitentiaire Beginselenwet die gedetineerden zou verplichten `bepaalde medische handelingen te gedogen'.

Ook al zou daaronder het toedienen van vocht en voeding vallen, zoals de minister onbeargumenteerd in zijn antwoord aan de Kamer stelt, moet toch worden aangenomen, dat bedoelde wet in de eerste plaats betrekking heeft op kwesties die orde en veiligheid in de inrichting betreffen en niet op problemen die zich mogelijkerwijze in strafproces of rechtszaal zouden kunnen gaan voordoen. We moeten ons dus terdege afvragen met welk oogmerk zo'n besluit zou worden genomen. In het bijzonder moeten we ons afvragen of zo'n oogmerk het behagen van de minister van Justitie of van Kamerleden zou moeten zijn. Niet voor niets neemt niet een minister of de Kamer zo'n beslissing, maar de directeur van de penitentiaire inrichting.

En dan zijn er nog de morele en juridische complicaties van het feit dat de uitvoering zou moeten geschieden door een arts, die daarmee waarschijnlijk in strijd zou handelen met weer andere wettelijke bepalingen, neergelegd in de wet op de geneeskundige behandelovereenkomst.

Het is denkbaar dat minister Donner zijn uitlatingen vooral heeft gedaan uit angst voor volkswoede ingeval de hongerstaking van Van der G. er, in de perceptie van velen, toe zou bijdragen dat we in het ongewisse blijven over de zin van de moord op Fortuyn. Dat is een begrijpelijke, maar onvoldoende reden.

Juist als minister van Justitie zou hij er beter aan doen om de bevolking beter voor te lichten over de beginselen van de rechtsorde, en over het gevaar dat is verbonden aan het lichtvaardig en lichtzinnig roepen dat zulke beginselen nu terzijde moeten worden geschoven.

Temeer waar het volkomen onzeker is of dit het kennelijk nagestreefde doel wel zou dienen. Het is goed denkbaar dat later, als duidelijk zou worden dat ook het gemorrel aan de rechtsbescherming het gewenste doel – het begrijpen van de zin van de dood van Fortuyn – niet heeft kunnen realiseren, de frustraties juist vergroot zullen blijken te zijn. En het respect voor de rechtsstaat weer verder is afgenomen.

Gijs van Oenen is universitair docent Rechtsfilosofie en Ethiek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.