De Matthäus van C.Ph. E. Bach voor het eerst na 1769

Het 21ste Festival Oude Muziek is na een geheel aan de romantiek gewijde openingsavond, sterk van start gegaan met oude muziek, vooralsnog ook haar hoofdtaak. Nog steeds wacht een terra incognita op ontsluiering, nog steeds blijken witte vlekken op de muzikale landkaart in te vullen. Zo ontvouwde Carl Philipp Emanuel Bachs Matthäus Passion (1768-1769) zich als een interessante dialoog tussen vader en zoon Bach met Telemann op de achtergrond.

De gangbare mening was lange tijd dat Bachs zoon als `een veel groter figuur voor ons had gestaan' als hij zijn 21 passies, waaronder zes gewijd aan Matthäus niet had geschreven, een visie uit 1868. En nog in 1929 werd de componist van een kleine duizend composities luiheid verweten. Men verkeek zich op het pasticcio-karakter bij het het hergebruik van andere composities.

Bovendien was geen recente studie voor handen. De Russen hadden in 1945 het verloren gewaand archief van de Berlijnse Singakademie als oorlogsbuit meegenomen naar Kiev. Pas in januari 2001 overhandigde president Kutschma één vel symbolisch aan kanselier Schröder en toen togen musicologen aan het werk, onder wie Ton Koopman. Zaterdagavond in Muziekcentrum Vredenburg, tot de nok toe gevuld, verzorgde Koopman de tweede uitvoering na de première in 1769 in Hamburg. De partituur bevatte honderden slordigheden, nog op de avond voor het concert waren correcties noodzakelijk.

Deze Matthäus Passion wordt omlijst door ontleningen aan Johann Sebastian Bach, maar ook daarbinnen horen we koralen en koren uit zijn Matthäus, uit het Weihnachts Oratorium en de catates 39 en 153. Een stijlbreuk betekent de bijdrage van Telemann, een eerbetoon aan Emanuels peetvader en voorganger, in een deel van de recitatieven. De aria's zijn wel degelijk van Emanuel. Opmerkelijk vooral is de tenoraria Wende dich zu meinem Schmerze. De 18de eeuwer Charles Burney laakte de krakkemikkige uitvoering, bovendien niet besteed aan een `gemeente zonder enkele aandacht'. Wel zag hij deze aria de toehoorders tot tranen toe bewoog.

Buiten proporties is een achttien minuten durend duet Muster der Geduld voor sopranen in onversneden Italiaanse operastijl, kwinkelerend als een volière, compleet met hoge c. Krachtig zijn de robuuste, zeer geslaagde mannenaria's, ook veel beter gezongen door tenor Jörg Dürmüller en bas Klaus Mertens.

In vergelijking met zijn vader toont Emanuel zich directer, bijna driftig van toon – het beven van de aarde loopt vooruit op Haydn. Anderzijds is hij elegant naar de eisen van die tijd. Veel werken uit de overgang naar de galante stijl tonen stijlbreuken en dat zijn beslist niet de slechtste. Opmerkelijk is Emanuels instelling in een treurmars die wel pittig maar wel allerminst treurig aandoet. Koopman dirigeerde in de van hem bekende enthousiaste stijl, gedachtig Emanuels devies: ,,Speel met ziel en niet als een gedresseerde kanarie.'' Saai is hij nimmer, jammer dat hij da capo's te weinig versierde.

Nog meer aangepast aan de smaak van de galante epoche zijn Emanuels Pièces Caractèristiques voor klavier. Tom Beghin speelde ze met wisselend succes op een kopie van een vroege Walther-piano. Hij projecteerde er gravures van William Hogarth bij ter overdenking van de beoogde karakters, het zijn portretjes in de stijl van Couperin. Voor mij hadden ze niet alle 24 gespeeld hoeven worden. Maar La Stahl in d-klein is een verpletterend grave dat zijn vader hem niet had verbeterd. Een tragische operascène in een dwingende handenwringende chromatiek vol melancholieke recitatieven waar niets vrijblijvends aan is. De zwaar onderschatte Emanuel had meerdere pijlen op zijn boog.

Iets van die gemaniëreerde grilligheid van die sterk wisselende retoriek en dat gevoel voor detail schuilt ook in de meest avantgardistische periode uit de gehele muziekgeschiedenis. Er was een aantal concerten gewijd aan deze Ars Subtilior, de nabloei van de Machaut-stijl rond 1400, het spectaculairst bij het ensemble Mala Punica. Pedro Memelsdorff belichtte verrassend, zij het heel vrij, delen uit de instrumentale Codex Faenza (ca 1420), door hem opgevat als een instrumentale neerslag van de vesper. En wat een prachtstemmen, die Italiaanse sopranen, steeds anders opgesteld vóór en midden in de Jacobi-kerk. Wat vielen de dunne sopraantjes daarna in Emanuels passie tegen! En wat een heerlijke muziek van Ciconia met al die hupfalderistische bovenstemmen die door de andere heen fietsen. Györgi Ligeti had het zo niet kunnen bedenken voor dat open festival, waarin artistiek leider Jan van de Bossche in principe alles tussen oud en nieuw mogelijk wil maken.

Festival Oude Muziek. Gehoord 24-25/8 Utrecht.