Citius, altius, fortius

Noem hem het geweten van de Nederlandse sport. Zoals hij bezig is de Nederlandse samenleving ervan te overtuigen dat sport – en vooral topsport – noodzaak is, alsof niets anders ertoe doet. Obsessief gaat Joop Alberda als technisch directeur van de olympische beweging voorop in de jacht naar nog meer aandacht voor sport, nog meer records, kampioenstitels en medailles. Niemand spreekt hem tegen, niemand is in staat een tegenzet te doen, niemand kan hem verbaal verslaan wanneer Alberda uit zijn arsenaal aan ideologieën put. Niemand van de omstanders weet wat hij zegt. Daarom zeggen ze ja.

Alberda weet niet van ophouden. Zelfs nu hij de vijftig nadert, lijkt relativiteitszin hem vreemd en is hij er nog niet van overtuigd dat fysieke explosies de mensen allerminst vredig stemmen. Hij wil nog steeds dat mensen meer uit zichzelf halen, hun talenten zoeken en aanspreken. Hij wil dat sportmensen andere mensen laten zien wat allemaal mogelijk is, waartoe mensen in staat zijn. Het moet gezegd: zijn theorieën zijn aanvaardbaar. De onophoudelijk denkende mens zou eens bij zichzelf te rade kunnen gaan en wat anders moeten doen om zichzelf te leren kennen.

Of dertig medailles of meer op de Olympische Spelen, zoals Alberda van de Nederlandse sporters verlangt, de natie meer geluk brengt valt te bezien. Nooit is aangetoond dat jacht op medailles en titels de mensheid op lange termijn meer vreugde bezorgt. De jacht is fascinerend en opwindend, de medailleoogst geeft hoop, maar uiteindelijk is alles weer hetzelfde. Sport is instant-bevrediging, nooit blijvend. Als je Alberda over zijn fascinatie voor sport hoort praten, is hij aandoenlijk en zijn zijn theorieën te volgen. Maar het is de vraag of zijn omstanders en mede-olympische idealisten hem ook begrijpen. Zij, de mensen die de sport niet ervaren als Alberda, knikken ja.

Citius, altius, fortius is zijn motto. Alberda wil nóg meer medailles, Alberda wil nóg meer geld voor sport. Hij wil volleybalhallen met hoge plafonds zodat de bal niet tegen het plafond kan stuiten. Tja. Hij wil meer zwembaden, meer atletiekbanen, meer turnzalen, meer hockeyvelden, meer worstelaars, meer toernooien, meer records, meer helden. Omdat de mensen er zijns inziens behoefte aan hebben. Sport haalt het beste uit de mens, sport is een exportartikel. Hij gaat voor goud, zoals hij in 1996 als coach van het Nederlands volleybalteam goud haalde – een prestatie die te boek staat als de beste Nederlandse olympische prestatie. Als dat mogelijk is, dan is alles mogelijk in Nederland.

Niemand die hem tegenspreekt. Omstanders in de olympische beweging zijn niet opgewassen tegen Alberda's eruditie – wat weten zij nu van sport of de invloed van sport op de mens? Niemand die Alberda durft te zeggen dat hij bezig is een vergeefse missie te volbrengen. Dat sport ook vijandig is, ook vijandschap kweekt, jegens de medemens. Dat sport wordt gebruikt door politici en handelsgeesten om zichzelf te verrijken. Dat medailleranglijsten worden gebruikt ten gunste van nationalisten en valse commerciële geesten. Dat Alberda te weing aandacht heeft voor mensen met een handicap, met een ziekte of een ander onherstelbaar gebrek, zoals armoe. Dat gezondheidszorg, onderwijs of ontwikkelingshulp meer aandacht behoeft dan sport.

De ideeën van Alberda zijn geënt op die van het DDR- en Sovjetsysteem. Wat daar toen fout was, is hier nu goed. Alberda heeft er vast wel over nagedacht. Daarom is hij niet bedreigend. De mensen die zich om hem heen verzamelen, zijn bedreigend. Zij missen de kennis en kunnen Alberda niet tegenspreken. Zij weten niet dat liefde, rust, vrede en tevreden zijn met wat je hebt tot meer geluk kan leiden dan jagen op prestaties, records, titels, medailles en geld. De jacht is vermoeiend en leidt vaak tot onvrede. Wacht maar, Joop.