Allochtoon

Er was in de vakantiekranten nóg een bericht dat extra aandacht verdient, en dat was het nieuwtje dat de Allochtonenkrant niet langer zo wil heten. Het woord allochtoon is uit, zeggen de makers, en vanaf september gaat het weekblad Multined heten.

Nu kun je dit afdoen als een reclamestunt van de uitgever, maar ik heb de indruk dat het woord allochtoon de laatste tijd inderdaad steeds meer besmet is geraakt (er werd al langer over gemord).

Voor mij heeft allochtoon lang een volkomen neutrale klank gehad, maar het laatste jaar is dat snel veranderd. Ik vermoed dat dit een van de gevolgen is van de politiek van Pim Fortuyn. Doordat hij `vol is vol' tot een van de speerpunten van zijn politiek heeft gemaakt, hebben we het laatste jaar meer dan ooit gelezen en gehoord over problemen met asielzoekers, vluchtelingen en islamieten. Dat alles heeft het woord allochtoon – dat die andere overkoepelt – geen goed gedaan.

Maar ook zonder Fortuyn was allochtoon ooit in het verdomhoekje terechtgekomen. Dat komt doordat veel mensen nu eenmaal weerzin hebben tegen `niet oorspronkelijke bewoners', zoals een woordenboek allochtoon definieert. Zolang dat zo is zal ieder woord dat je voor `buitenlanders' verzint, op den duur zijn neutraliteit verliezen.

Buitenlander is overigens geen goed synoniem voor allochtoon. Terecht merkt de Grote Van Dale op dat wij allochtoon met name gebruiken ,,als aanduiding voor personen met een niet-blanke huidskleur, die zelf – of van wie de ouders – in het buitenland geboren zijn, bijvoorbeeld buitenlandse werknemers''. Blanken van buiten Nederland noemen wij geen allochtonen en sommigen zullen zelfs aarzelen om hen buitenlanders te noemen, want ook aan dat woord is inmiddels een luchtje komen te hangen.

Van Dale spreekt in zijn toelichting van buitenlandse werknemer, en daarmee hebben we een oudere aanduiding voor `allochtoon' te pakken. Andere zijn gastarbeider, buitenlandse arbeider, rijksgenoot, Nederlander van Marokkaanse (of Turkse) afkomst en het bespottelijke gekleurde medemens. Helemaal synoniem zijn deze aanduidingen niet, maar het zijn allemaal begrippen die op een gegeven moment zijn geïntroduceerd omdat een ander, ouder woord als stigmatiserend werd ervaren. Tegenwoordig is medelander in opkomst, hoewel sommigen dit wel erg soft en politiek correct vinden. Je leest ook wel over nieuwe Nederlander en etnische Nederlander (dat ik volkomen onduidelijk vind, want het zou ook goed `inheemse Nederlander' kunnen betekenen).

Doorgaans worden dit soort aanduidingen verzonnen door ambtenaren of commissies. Maar is er ook weleens een prijsvraag aan te pas gekomen. Zo riep de WDR, de (West-)Duitse radio- en televisiezender, in 1970 de kijkers en luisteraars op om een nieuw woord te verzinnen voor Gastarbeiter. Dat woord vond men indertijd te veel op dwangarbeider lijken. Er kwamen maar liefst 32.000 brieven binnen, met 2.470 verschillende benamingen. Uiteindelijk koos de jury voor ausländischer Arbeitnehmer, `buitenlandse werknemer', een aanduiding die in het ambtelijk jargon allang werd gebruikt. Afgekeurd werden onder meer Eurojaner, libero, conjunctuurzwaluw en gastburger.

Overigens grepen ruim driehonderd briefschrijvers de prijsvraag aan om uiting te geven aan hun agressie over gastarbeiders. Zij stuurden namen in als concentratiekampmateriaal, halfidioot, hondenbroodvreter, baantjespikker, tweederangs mens, souteneur en – je kon erop wachten – Untermensch.

Bij ons werd gastarbeider omstreeks 1970 nog volop gebruikt, maar het verzet nam al toe. Ook taalkundigen waren er niet blij mee, al was het maar omdat gasten na een tijdje weer vertrekken, terwijl veel gastarbeiders bleven. Dat zal de reden zijn geweest waarom de eigenwijze lexicograaf C. Kruyskamp in 1970 in de Grote Van Dale schreef: ,,gastarbeider: weinig gelukkige benaming voor uit het buitenland afkomstige arbeidskrachten.''

(reacties naar sanders@nrc.nl)