Weg met de Übermutter

Over zwangerschap en ouderschap wordt geschreven alsof de ervaringen deelbaar zouden zijn. Dat is om te huilen. 'Ik ben een raadsel, mijn man is een raadsel, en wie ons kind is, is voor ons een raadsel.' Pleidooi voor een `lege plek' in het schrijven en spreken over kinderen.

`Wat was de kleur van het eerste, voorgeboortelijke licht in je ogen? Hoe zag de wereld eruit voordat je ter wereld kwam? Je weet het niet. Je herinnering is zoek, die van je moeder is vervlogen. De belangrijkste periode in je leven, waarin je ontstond en met een duizelingwekkende snelheid groeide, is onbereikbaar, verscholen achter de beelden van je kindertijd. Wat rest zijn deze zwangerschapsnotities, die het verborgene onthullen. (...) Dit boek laat zien hoe ieder van ons is begonnen.'

Dit is het voorwoord van `Zwangerschapsnotities – agenda voor aanstaande moeders'. Het is geschreven door Mariël Croon, auteur van een aantal boeken over zwangerschap, redacteur van deze krant en van origine verloskundige.

De foto's van foetussen, tevreden opgerold in hun schemerdonkere waterzak, ontroeren. Kleine handjes, kleine voetjes, een enorm hoofd bedekt met zacht dons, sereen geloken oogjes... Precies zo heeft mijn zoon drie jaar geleden in mij liggen slapen, onkundig van wat hem te wachten stond, maar al wel af en toe flink tegen mijn ribben trappend. En terecht. Een baarmoeder ziet er in een flits misschien knus en veilig uit, je wordt al krankzinnig bij de gedachte dat je het zelf ooit zolang hebt uitgehouden in een holle spier waar de gemiddelde kruipruimte nog riant bij afsteekt. Maar Croon kent geen claustrofobie. Op montere wetenschappelijke toon beschrijft zij `de reis naar de wereld in veertig weken'.

De agenda begint op de dag dat de aanstaande moeder er haar laatste menstruatie op heeft zitten. Pas na twee weken kan de eicel bevrucht worden, dat is waar, maar ,,zodra je over tijd bent, ben je volgens de officiële berekeningen vier weken zwanger. Twee weken daarvan krijg je cadeau.'' Wat een feest! Weer een cadeau! Het boek gaat er dus van uit dat de zwangerschap heel bewust gepland is, want al op de dag van je laatste menstruatie mag je berichten aan je ongeboren (dan nog: onverwekte) kind neerpennen.

Wat een wrang idee. Tien procent van alle zwangerschappen eindigt in een miskraam. Je hoeft geen rits wetenschappelijke publicaties op je naam te hebben staan om te weten dat je een blauw uitslaande Predictor met enige voorzichtigheid moet begroeten. Dit is precies het manco aan het boek – en aan veel informatie over zwangerschap en moederschap. Beschreven wordt de ideale, gemiddelde zwangerschap en de ideale, gemiddelde ontwikkeling van het gemiddelde embryo tot gemiddelde, kerngezonde baby.

Boven het van-week-tot-week-verhaal van Croon kan de aanstaande mama haar belevenissen noteren, opdat de algemene biologische data in het licht van de persoonlijke ervaring komen te staan. Zo kan het kind, als het groot is, teruglezen dat zijn ouders, op de dag dat zijn oortjes stemmen kon opvangen, een knetterende ruzie hadden. En dan heeft zo'n kind nog geluk, want tien tegen één dat er in dit dagboek al tegen hem gelogen gaat worden, zogenaamd voor zijn eigen bestwil.

Wat zou ik zelf geschreven hebben? ,,Je moeder is moe en bekijkt alle actualiteitenrubrieken die er maar zijn, avond aan avond, want er is oorlog in Kosovo. Ze ziet aan de lopende band mensen sterven en wil eigenlijk zelf ook heel graag dood, maar ze durft er met niemand over te praten. Want jij zit al in haar buik en als je moeder zichzelf iets aandoet, pleegt ze ook een moord op jou. Stom, hè? Kon je nog maar gauw een vrolijke mama kiezen – deze vindt het leven veel te zwaar.'' Nee. Ik zou hebben gebabbeld over het trappelzakje dat ik bij de Hema had gekocht, over het weer, de augurken die ik met potten vrat, over de pufcursus en de heerlijke massages die papa mij 's avonds gaf.

Je kunt er gif op innemen dat de notities van de zwangere moeders onderling weinig van elkaar zullen verschillen. Dat heeft vooral te maken met de onwil van mensen om zich te verdiepen in de negatieve (bij)gevoelens die optreden bij een belevenis die door de omgeving als louter positief wordt aangeprezen. Wie de nacht voorafgaand aan zijn kostbare sprookjeshuwelijk wakker ligt met de gedachte ,,Ga ik me niet binnen een half jaar al ergeren aan haar dikke reet, haar telefonades met vriendinnen, aan haar moeder die steeds zogenaamd leuke reistips doorspeelt en dat Groningse geknauw in het algemeen?'' kan maar beter gauw een borrel nemen en een vrolijk plaatje opzetten: twijfel maakt meer kapot dan je lief is.

Wie twijfelt aan een voorgenomen huwelijk kan de liefdescruise nog afzeggen. Maar een foetus van zeven maanden aborteer je niet. Wie zwanger is moet dóórgaan. Om zelfbeeld en kind te sparen geef je niet prijs welke akelige gedachten je naast de zoete dromerijen hebt. Het dagboek zal alleen informatie bevatten die nu en in de toekomst kan dienen als peptalk: ,,Kijk, toen was ik ook al zo bezorgd om die kleine. Ik was het bijna vergeten, maar ik ben echt twaalf kinderdagverblijven langs geweest. Twaalf!''

Zou je teruglezen met hoeveel tegenzin je die dingen hebt gedaan, dan zou dat alleen maar voeding geven aan zelfverwijt. Je kunt immers veertien jaar later gaan denken dat de depressies van je zoon of de angsten en de luiheid van je dochter hun wortels hebben in de tobberijen die je tijdens hun wording had. Dat nooit. Stel dat de therapeut van je kind gaat vragen naar de herinneringen van voor de eerste bewuste herinneringen? ,,Heeft je moeder niet nog iets liggen? Een boekje, in de la met vergeelde moederdag-knutsels en lucifersdoosjes met melkkiesjes?''

Een eerlijk dagboek wijst jou meteen als hoofdschuldige aan.

Aan het begin van mijn eigen zwangerschap vroeg ik twee jonge moeders of ze nog wel stil konden staan bij hun eigen stemmingen. Ik kon me voorstellen dat er voor dagdromen, piekeren, wanhopen, rouwen en zwelgen in melancholie in hun drukke bestaan geen tijd meer was.

,,Dat er minder stemmingen zijn is alleen maar prettig'', zeiden de moeders. ,,Als er een blij kindje voor je staat, vergeet je weer dat je boos bent op je werkgever: je kind gaat voor en als hij geniet, geniet je als moeder ook. Je zult het zien, als die kleine er straks is, ga je alle dingen relativeren.'' Alle dingen. Alle dingen, behalve het kind. Het leek me heel aantrekkelijk, zo'n wonderbare genezing van mijn ijdele gemoed, dat tot dan toe altijd koortsachtig op zoek was geweest naar nieuwe emoties en nieuwe inzichten. Rust in de tent. De boreling voor eeuwig op nummer één.

Die relativiteitstheorie klopt, weet ik nu. De dagen van je kind vullen met warmte, aandacht en gezelligheid blijkt inderdaad een verdomd zinvolle bezigheid – en leerzaam bovendien. Toch slaag ik er niet in dat relativeren als `prettig' te ervaren. Hoogdravende ambities zijn er misschien om te relativeren. Datzelfde geldt voor zelfmedelijden, heimwee naar temps perdu, overdreven bezorgdheid om je uiterlijk, huwelijkse spanningen en puberale weltschmerz. Maar met al dat relativisme gaan ook andere zaken verloren – voor je het weet spoel je niet het kind, maar jezelf met het badwater weg.

Moeders maken vanaf week twee van de zwangerschap een enorme denkfout: ze geloven dat alles wat ze van nu af aan meemaken `deelbaar' is met alle andere moeders ter wereld. Die hebben immers `hetzelfde' meegemaakt. Inderdaad, iedere biologische moeder heeft ooit een dikke buik gehad, en vuurrode tepels, en een gewijzigde hormoonspiegel. Meer niet. En toch wordt over `het moederschap' gesproken en geschreven met dat afgrijselijke toontje: ,,Nou, meid, we weten wat je voelt en denkt.'' Om te huilen.

Ik ben ervan overtuigd dat voor al mijn gedachten en uitspraken, voor al mijn daden en gevoelens verklaringen bestaan en ik koester hoogst zelden de hoop eens met iets te komen dat op die manier nog nooit door iemand vóór mij is gedaan. Maar ik pas ervoor dat anderen mij doorzichtiger maken dan ik ben. Ik ben een raadsel, mijn man is een raadsel, en wie ons kind is, is voor ons een raadsel. ,,Waarom wij drieën?'' is het grootste raadsel. Zou ik voor één van de vier raadsels de oplossing weten, dan lijkt zelfmoord me de enige optie: wat loop je hier in godsnaam nog te doen als je durft te beweren dat je jezelf, je man of je kind kent?

Met een scheut jaloezie bekijk ik de moeders die alles voor elkaar hebben. Een baan, maar ook veel quality time voor de kinderen, een vriendennetwerk, een wekelijks avondje uit met hun man, een auto, een abonnement op de sportschool, een keurig huis en ook nog de tijd om hun moeder af en toe mee op pad te nemen – maar het lijkt me vreselijk om het kind van zo'n moeder te zijn. Ik bedoel, hoe leer je zo'n moeder kennen? Die leer je niet kennen. Er is namelijk niets over om te leren kennen. Alles is gerelativeerd, ofwel geabsorbeerd door dat perfecte moedervertoog. In dat vertoog is geen plaats voor de vraag: ,,wie ben ik?''. Noch voor de vraag: ,,waarom heb ik dit kind gekregen en niet een ander?''. Laat staan voor de ultieme vraag: ,,wat verwacht uitgerekend deze ene persoon van uitgerekend mij als moeder?''.

Wat ontbreekt in alle informatie over zwangerschap en moederschap is het idee dat je niet `een kind' krijgt, maar `dit kind'. Te bewijzen is het niet, maar ik acht het heel goed mogelijk dat een kind voordat het geboren wordt, inderdaad een reis aflegt; van het hiervoormaals naar het lichaampje dat in de moederschoot is aangelegd. Een reis waartoe hij vrijwillig heeft besloten. Omdat hij het ginds niet meer uithield bijvoorbeeld, omdat hij iets wilde meemaken, omdat hij iets wilde DOEN.

Of het zijn ouders wel of niet heeft uitgekozen is een vraag waar ik geen antwoord op durf te hebben. Terughoudendheid is in spirituele aangelegenheden niet alleen gepast, terughoudendheid houdt het spirituele ook spiritueel. Concrete, gedetailleerde antwoorden op vragen over het hiervoormaals, de ziel en haar roeping getuigen van eenzelfde soort materialisme als onze behoefte aan pret-echo's en dieetadviezen die ons een kind met een goed stel hersens garanderen. Ik pleit dan ook niet voor meer onderzoek naar en publicaties over het schemergebied van het voorgeboortelijke, maar voor het behoud van een `lege plek' in het schrijven en spreken over zwangerschap en ouderschap. Een lege plek, of een open vraag.

Als een zwangere zich moet bezighouden met haar dieet, haar rustmomenten, haar drink- en rookgedrag en met de celdelingen in haar buik, als de taal die haar ter beschikking staat alleen nog een medisch-biologische is, dan komt het met verwondering, dankbaarheid en het zelf betekenis geven aan de stemmingen nooit meer goed. Tranen van ontroering? Dat wordt veroorzaakt door de stof die straks de borstvoeding op gang zal brengen. Meer zin in seks, terwijl je dat niet bij het zwanger zijn vindt passen? Niks om je voor te schamen, je onderlichaam is gewoon veel meer doorbloed en als je wilt, mag je tot de bevalling vrijen, hoor! Gelukkig schrijft Croon dit soort dingen niet in het dagboek, maar de speciaal voor aanstaande moeders ontworpen bladen en websites wemelen van deze interessante `doktersadviezen' en `tips van deskundigen'. Ook het feit dat ik me destijds zo bovenmatig veel van Kosovo aantrok en plotseling heel goed de depressies van mijn moeder begreep is te verklaren met behulp van de medische wetenschap. Erger nog: wetende dat negatieve stress-emoties van invloed zijn op de neurologische ontwikkeling van de vrucht, bestreed ik mijn gevoelens met dezelfde eenduidige luim van die supermoeders met hun `alles voor de kinderen'-credo.

,,Je gunt je kindje toch het allerbeste?'', is de retorische vraag die in allerlei reclames en semi-wetenschappelijke berichtjes opduikt. Ja. Maar wat voor mijn kindje het allerbeste is, is dat niet voor `het kindje' in het algemeen. Het kindje dat ik in het dagboekje van tumor zie uitgroeien tot visje, tot doorzichtig poppetje, tot aapje in donsvacht, tot schattige baby, is naamloos. De foto vertegenwoordigt geen persoon maar een stadium. Het onderschrift beschrijft geen vrijwillig ondernomen `reis' naar een al dan niet zelfverkozen bestemming, maar een gedetermineerde transformatie van celklompje tot lichaam. Het is tamelijk narcistisch om te geloven dat jij, als gastlichaam, de volle verantwoordelijkheid draagt voor een `gezonde', `optimale' ontwikkeling van vrucht tot kind. Het is even narcistisch om op basis van wetenschappelijke publicaties voor of tegen kinderopvang te kiezen, voor of tegen babyzwemmen, televisiekijken, of ruziemaken in het bijzijn van de kinderen. Wetenschap zweept op tot dat narcisme, een narcisme dat verwantschap vertoont met hypochondrie, maar gevaarlijker is dan dat. `Gewone' hypochondrie houdt alleen de patiënt zelf in de tang. Maar zwangerschaps- en moederschapshypochondrie is in wezen een ontkenning van de eigenheid van het kindje dat je `krijgt' (en niet neemt!). Met uitspraken over `gemiddelden' nivelleert de wetenschap mensen. Met het uitsluitend tonen en beschrijven van de voorspoedige zwangerschap, in uitsluitend biologische termen, wordt verhinderd dat er taal blijft of kan ontstaan die het moeders mogelijk maakt zich uit te spreken over de verhouding tussen hen als individu en het kind als individu, voorbij genetische gelijkenissen. Wie haar kinderen het allerbeste gunt, gunt haar kinderen zichzelf en geen door anonieme machten ontworpen, gelijkmoedige, gezonde, ideeënloze Übermutter.

Voor je het weet spoel je niet het kind maar jezelf met het badwater weg