This might be Dutch

Nederlandse wetenschappers gebruiken veel minder relativeringen in Engelstalige artikelen dan Engelse auteurs. Dat komt onbeleefd over. En een beetje meer verleden tijd zou ook beter zijn.

Het engels waarin Nederlandse wetenschappers hun artikelen schrijven, is verre van volmaakt. Joy Burrough, die veel ervaring heeft met het redigeren van dergelijke teksten, schreef daar al eens een onderhoudend boek over, Righting Englisch that is gone Dutch, en deze zomer promoveerde zij op de stilistische eigenaardigheden van het wetenschappelijke Engels van Nederlanders. Ze analyseerde daartoe een groot aantal teksten, zowel Engelse als Nederlandse, en vroeg aan verschillende soorten lezers om het taalgebruik van artikelen te beoordelen en, waar nodig, te verbeteren.

Het beeld dat uit haar onderzoek oprijst, is dat het Engels van Nederlandse wetenschappers erg springerig is (korte zinnen, abrupte overgangen) en veel minder relativeringen bevat dan teksten die door Engelstaligen geschreven zijn. Dat heeft, aldus Burrough, maar gedeeltelijk te maken met de beperkte beheersing van het Engels. Het is vooral een kwestie van stijl: het Nederlands heeft op stilistisch gebied een andere traditie en andere voorkeuren dan het Engels.

Om dat aan te tonen vergeleek Burrough Nederlandstalige artikelen uit de wetenschappelijke tijdschriften Landschap en De Levende Natuur met teksten uit Engelstalige tijdschriften die hetzelfde vakgebied (ecologie) bestrijken. In de Nederlandstalige artikelen waren de zinnen aanmerkelijk korter dan in de Engelse: 20 woorden tegen 27 woorden dat scheelt ongeveer één bijzin. Ook de alinea's waren korter: 4,4 zinnen in de Nederlandse artikelen tegen 5,4 in de Engelse. Door de kortere zinnen en kleinere alinea's ontstaat in het Nederlands vaak een springere stijl, die de Engelsen `choppy' noemen: de informatie wordt als het ware `in stukjes gehakt'. Veel Nederlanders houden hun zinnen bewust kort, omdat ze denken dat lange zinnen minder leesbaar zijn dan korte zinnen. In de Angelsaksische schrijftraditie worden langere zinnen juist wel op prijs gesteld: ze zouden het betoog vloeiender maken, wat de leesbaarheid ten goede zou komen. Korte zinnen en abrupte overgangen zouden associaties oproepen met heel andere tekstgenres: reclame, journalistiek, populaire romans.

zinswendingen

Een ander belangrijk verschil tussen de Nederlandstalige en de Engelse artikelen, was de mate waarin gebruik werd gemaakt van relativerende zinswendingen, in de trant van `This might be caused by...', `It seems highly likely that...', `I would like to argue that...', etcetera. De Engelse artikelen bevatten twee keer zoveel relativeringen als de Nederlandse. Uit een eerder gedaan Amerikaans onderzoek, waarin de stijl werd geanalyseerd van Engelstalige artikelen over moleculaire biologie, bleek dat er gemiddeld één relativering was per 50 woorden. In het Discussions-deel van de stukken liep dat zelfs op naar 1 per 36 woorden.

Hoe het zit met de zakelijke brieven van Nederlanders en Engelstaligen is in het verleden ook al eens onderzocht. In de Nederlandstalige correspondentie worden veel verzoeken niet gerelativeerd of verzacht (`Ik zou het op prijs stellen als...', `Misschien zou u kunnen...'). In de Engelse brieven gebeurt dat bijna altijd: in 99 van de 100 gevallen. Opmerkelijk was dat door Nederlanders geschreven Engelstalige brieven daar ergens tussenin zitten. Nederlanders worden blijkbaar beleefder zodra zij in het Engels gaan schrijven.

In wetenschappelijke teksten hebben relativeringen twee functies, die strijdig met elkaar kunnen zijn. Ze kunnen een bewering de juiste nuance meegeven: de juiste gradatie van zekerheid of waarschijnlijkheid (`Mogelijk / waarschijnlijk is dat een gevolg van...'). Daarnaast zijn het ook beleefdheidsformules, die geen ander doel hebben dan de lezer gunstig te stemmen, door de boodschap te relativeren en ogenschijnlijk ruimte te laten voor andere inzichten. Om die reden wordt er, ook in de Angelsaksische landen zelf, verschillend gedacht over het gebruik van relativeringen in wetenschappelijke artikelen. Ze zouden de tekst vager maken. En als beleefdheidsformules zijn ze eigenlijk overbodig, want in een wetenschappelijk artikel dienen de feiten voor zichzelf te spreken. Daarom zijn er tijdschriften die als stijlregel hanteren dat er in de conclusie géén `misschien' gebruikt mag worden. Maar dat zijn uitzonderingen. In de praktijk spelen relativeringen een cruciale rol in de wetenschappelijke retorica. Ze suggereren dat de feiten en interpretaties die in het artikel gepresenteerd worden, alleen maar een voorstel zijn. De wetenschapper nodigt de lezer als het ware uit om dat voorstel te bekijken en, eventueel, te aanvaarden. De lezer zal vaak een collega of rivaal zijn, die niet gebruskeerd dient te worden.

Laat de onderzoeker al die relativeringen weg, dan wordt de toon van zijn betoog veel te zelfverzekerd, en daarmee te aanmatigend: hij presenteert zijn bevindingen in een stijl die alleen gepast is in teksten die algemeen aanvaarde inzichten behandelen, zoals wetenschappelijke handboeken.

kwestie van stijl

Burrough ontdekte verder dat Nederlandse wetenschappers vaak tegenwoordige tijden gebruiken waar in het Engels een verleden tijd hoort te staan. Ook dit is geen grammaticale kwestie, maar een kwestie van stijl. In het Nederlands is het gebruikelijk om gebeurtenissen uit het verleden in de tegenwoordige tijd te vertellen. Wij notuleren bijvoorbeeld in de tegenwoordige tijd: `De voorzitter opent de vergadering'. Engelstaligen gebruiken hier de verleden tijd: `The meeting was opened by the chairman'.

Voor wetenschappelijke artikelen in het Engels geldt als vuistregel dat alleen algemeen aanvaarde kennis in de tegenwoordige tijd mag worden weergegeven. De beschrijving van het onderzoek, de resultaten en de conclusies behoort te geschieden in de verleden tijd. Nederlanders doen dat vaak in de tegenwoordige tijd, omdat ze dat in het Nederlands ook zo gewend zijn. In een artikel over verzuring en de gevolgen daarvan voor de plantengroei, moeten de uitkomsten van het experiment dus als volgt beschreven worden: `With the increase of nutrient availability the herbs invested more in stems at the expense of roots while grasses invested in both leaves and stems.' Maak je daar tegenwoordige tijden van, dan klinkt het opeens heel anders: `With the increase of nutrient availability the herbs invest more in stems at the expense of roots while grasses invest in both leaves and stems.' De tegenwoordige tijd suggereert dat het om algemene waarheden gaat, terwijl de verleden tijd aangeeft dat de uitspraak alleen geldt binnen de (beperkte) omstandigheden van het onderzoek.

Dit verkeerde tijdengebruik leidt, net als het spaarzame gebruik van relativeringen, tot een te stellige, te zelfverzekerde toon, aldus Burrough. Dat kan bij de lezer, zeker de Engelstalige lezer, een gevoel van irritatie oproepen. De ironie wil dat een te directe stijl de overtuigingskracht van het artikel kan ondergraven. Natuurlijk, het gaat in een wetenschappelijk artikel om de feiten. Maar ook wetenschappers zijn mensen: ze zijn gevoelig voor stijl.